Posters op Wetenschapsplein

Op het Wetenschapsplein vindt u alle posters die op de DvdF worden gepresenteerd.
De posters worden tijdens alle pauzemomenten tentoongesteld.

Hier treft u ze op alfabetische volgorde.

 

Aanpassing van het looppatroon bij mensen met knieartrose: wat weten we over het proces van motorisch leren?

Achtergrond

Bij mensen met knieartrose kunnen simpele aanpassingen in het looppatroon de krachten in de knie verminderen, bijvoorbeeld door te lopen met de voeten iets meer naar binnen te draaien (iets meer dan normaal). Krachten in de knie kunnen niet direct gemeten worden. Een indirecte maat is het knie adductie moment: een representatie van de kracht op de knie.  Visuele feedback tijdens het lopen wordt gebruikt om mensen een aangepaste manier van lopen aan te leren.

Vraagstelling

Zijn aanpassingen in het looppatroon, om de krachten op het kniegewricht te verminderen, aan te leren met training en visuele feedback? Is het mogelijk de positie van de voet te veranderen na een periode van zes weken trainen en feedback geven en blijven de mensen een aangepaste manier van lopen volhouden 3 en 6 maanden na de training?

Methode

In totaal werden 16 mensen getraind met visuele feedback. De training bestond uit loopoefeingen waarin geleerd werd te lopen met de voeten iets meer naar binnen gedraaid (“toe-in”). Gedurende een periode van 6 weken (één sessie per week) werd er getraind. Mensen liepen op een loopband in de “Virtual Reality lab” van het VUmc. Door gebruik te maken van “motion-capture” technologie werd  de positie van de voeten, het knie adductie moment op het moment zelf gemeten en berekend om feedback te kunnen geven via een groot scherm dat geplaatst was voor de loopband. Door het gedoseerd verminderen van de feedback werd gemeten op welke wijze de mensen liepen en of zij de geleerde manier van lopen konden volhouden. Uiteindelijk werd de feedback volledig weggenomen. Tijdens de eerste en laatste week van het trainingsprogramma werd gebruik gemaakt van een dubbeltaak om mensen af te leiden van de manier van lopen en onderzocht werd of men in staat was de aangeleerde manier van lopen vol te houden. De voet positie werd vergeleken tijdens drie loopcondities:

  • Lopen met feedback
  • Lopen zonder feedback
  • Lopen gedurende de uitvoering van een dubbel taak

Resultaten

De gemiddelde fout in de voetpositie (in vergelijking met de gewenst positie) was verminderd na het trainingsprogramma tijdens alle drie de condities. Met feedback liepen de mensen met een voetpositie die dichter bij de gewenste positie lag en daarmee dichterbij de gewenste vermindering van de belasting van de knie. Wel werden de voeten iets minder ver naar binnen  geplaatst dan gewenst.  Na drie en zes maanden konden de meeste mensen de voeten nog steeds in de richting van de gewenste positie plaatsen dan aan het begin van het trainingsprogramma. Wel waren de voeten iets meer naar buiten gedraaid in vergelijking tot de gewenste voetposities.

Conclusie

Mensen blijven met hun voeten naar binnen lopen na het volgen van een trainingsprogramma, wat inhoudt dat de belasting van de knie verminderd blijft. Als de belasting van de knie afgenomen is kan dat een verdere verslechtering van de knieartrose voorkomen. Patiënten met knieartrose zijn goed in staat motorisch te leren door looptraining en feedback.

Implicatie voor fysiotherapie:

Door het geven van looptraining en visuele feedback zijn patiënten goed in staat hun manier van lopen aan te passen, zowel op de korte als lange termijn. Fysiotherapie kan daardoor een bijdrage leveren aan een verminderde progressie van knieartrose door een blijvende vermindering van de krachten op het kniegewricht.

Lees verder
Rosie Richards
Associatie en prognose van ziektepercepties voor pijn en fysiek functioneren bij musculoskeletale pijnklachten – een systematische review

Achtergrond
Musculoskeletale pijn is de belangrijkste oorzaak voor pijn en beperkingen in fysiek functioneren die mensen ervaren gedurende het leven. Ziektepercepties is al decennia lang een belangrijke factor die geassocieerd wordt met pijn en fysiek functioneren bij mensen met langdurig bestaande aandoeningen. Een systematisch literatuur overzicht van deze associatie bij mensen met musculoskeletale pijn is nog niet bekend.

Vraagstelling
Wat is de relatie tussen ziekteperceptie met pijnintensiteit of fysiek functioneren bij mensen met musculoskeletale pijnklachten.

Methode

Systematische review volgens de PRISMA en AMSTAR richtlijnen, uitgevoerd door 2 onafhankelijke reviewers. Risk of Bias vastgesteld met QUISP-tool. Vanwege statische en klinische heterogeniteit is een kwalitatieve best evidence synthese is uitgevoerd.

Resultaten
Voor 12 verschillende musculoskeletale pijn aandoeningen is er matig bewijs dat een hoge score op ziekteperpcepties positief geassocieerd is met hoger pijnintensiteit en meer beperkingen in fysiek functioneren. Voor longitudinale studies is er matig bewijs dat de ziekteperceptie dimensie Consequenties een voorspellende factor is voor hogere pijnintensiteit over tijdsinterval <6 maanden. Ook in longitudinale studies is er matig bewijs dat de ziekteperceptie dimensies Consequenties, Tijdlijn Chronisch / Cyclisch, Controle Persoonlijk, Identiteit en Emotionele representaties prognostische factoren zijn voor beperkingen in fysieke functioneren op tijdsinterval <6 maanden. Er is matig bewijs dat IP-dimensie Gevolgen, Controle Persoonlijk en Identiteit voorspellende factoren zijn voor meer beperkingen in fysieke functioneren op tijdsinterval> 12 maanden.

Conclusie
De associatie richting is onafhankelijk van de in deze review gevonden aandoeningen. In 12 verschillende musculoskeletale aandoeningen is er matig bewijs voor een positieve relatie van een aantal ziektepercepties dimensies met pijnintensiteit en beperkingen in fysiek functioneren bij mensen met musculoskeletale pijn. Deze bevindingen zijn in lijn met reviews bij niet mensen met niet musculoskeletale aandoeningen.

Implicatie voor fysiotherapie

Deze nieuwe informatie betekent voor de fysiotherapeut kan overwegen om bij musculoskeletale pijnklachten ziektepercepties van de patiënt te betrekken in het behandelproces. Mogelijk dat een deel van de pijnintensiteit of beperkingen in fysiek functioneren in relatie staat met ziektepercepties.

Lees verder
Edwin de Raaij
Behandeling van de degeneratieve meniscusscheur: Conservatief of opereren?

Achtergrond
De effectiviteit van een Arthroscopische Partiële Meniscectomie (APM) bij degeneratieve meniscusscheuren staat ter discussie 1-2. Toch is het nog steeds de meest uitgevoerde orthopedische operatie wereldwijd en op één na meest verrichtte chirurgische ingreep in Nederland. Het doel van ons onderzoek is om een APM te vergelijken met fysiotherapie (FT) bij degeneratieve meniscusscheuren, op grond van de door de patiënt gerapporteerde kniefunctie.

Vraagstelling
Welke behandeling, APM of FT, geeft een beter resultaat op zelfgerapporteerde kniefunctie bij een patiënt (45-70 jaar) met een degeneratieve meniscusscheur?

Methode
Een multicenter Randomized Controlled Trial is opgezet in 9 Nederlandse ziekenhuizen. Patiënten (45-70 jaar) met een op MRI aangetoonde meniscusscheur zijn geïncludeerd en gerandomiseerd tussen APM en FT. De primaire uitkomstmaat is de International Knee Documentation Committee Subjective Knee Form (IKDC). Deze vragenlijst meet de subjectieve kniefunctie en is gevalideerd bij patiënten met een meniscusscheur3. Follow-up metingen zijn uitgevoerd na 3, 6 en 12 maanden. Deze studie betreft een non-inferioriteitsonderzoek tussen fysiotherapie en APM met een “non-inferiority threshold” van 8,8 punten op de IKDC4. De verschilscores van de 1 jaars follow up ten opzichte van de baselinemeting na de behandeling zijn vergeleken tussen groepen met een ongepaarde t-test. Tevens, is er een Generalized Estimating Equations (GEE) analyse uitgevoerd om de invloed van de behandeling op de uitkomst te bepalen.

Resultaten
Er zijn 321 patiënten geïncludeerd. Na één jaar, was de gemiddelde verbetering op de IKDC 25,5 punten in de APM-groep (95% betrouwbaarheidsinterval [BI]: 22,2 – 28,7) en 18,6 punten in de FT-groep (95% BI: 16,0 – 22,0). Het verschil in verbetering tussen de groepen was 6,9 punten (95% BI: 2,5 – 11,3; P = 0,002).
De GEE analyse, met IKDC-scores als afhankelijke variabele, laat daarnaast zien dat de variabelen: pijn in rust, IKDC en BMI op baseline invloed hebben op de IKDC uitkomst na 1 jaar.

Conclusie
In beide groepen was de zelfgerapporteerde kniefunctie na 1 jaar sterk verbeterd. Het verschil tussen de groepen was statistisch significant. Echter, kleiner dan de non-inferiority threshold, dus klinisch niet relevant. Vervolg onderzoek wordt momenteel uitgevoerd naar de langere termijn (2 jaar) resultaten en de kosteneffectiviteit van deze behandelingen5.

Implicatie voor Fysiotherapie
Patiënten met een meniscusscheur ervaren een klinische verbetering in kniefunctie door fysiotherapie, die vergelijkbaar is met APM.

Lees verder
Julia Noorduyn
Bewegen in het ziekenhuis: een kwalitatieve, fenomenologische benadering

Achtergrond

Ziekenhuisfysiotherapeuten voeren dagelijks een strijd. Ondanks de voordelen van bewegen in het ziekenhuis blijft weinig bewegen gedurende een ziekenhuisopname de norm. Hierbij is de ziekenhuisomgeving zelf één van de grootste oorzaken van weinig bewegen. De zorg is rondom het bed georganiseerd, eten en drinken wordt veelal op bed geserveerd en bezoek van zowel artsen als familie wordt aan bed ontvangen.

‘Beter uit Bed’ van het Radboudumc wil dit veranderen en richt zich op het activeren van patiënten gedurende een ziekenhuisopname. Een eerste stap daartoe is het begrijpen wat patiënten en zorgverleners verstaan onder ‘bewegen gedurende een ziekenhuisopname’. Verder is het van cruciaal belang belemmerende en bevorderende factoren te identificeren voor de ontwikkeling en de implementatie van een beweging bevorderend zorgprogramma in het ziekenhuis.

Vraagstelling

Wat verstaan patiënten en zorgverleners onder bewegen gedurende een ziekenhuisopname? Welke belemmerende en bevorderende factoren spelen hierbij een rol volgens patiënten en zorgverleners?

Methode

Het betreft een kwalitatieve, fenomenologische studie waarbij patiënten en zorgverleners van de afdelingen Cardiologie en Orthopedie&Traumatologie van het Radboudumc hebben deelgenomen aan semigestructureerde interviews. Twee onderzoekers (NK , RvO)  codeerden interviews onafhankelijk. In een consensus meeting zijn categorieën en thema’s geïdentificeerd en besproken.

Resultaten

Er zijn in totaal 18 patiënten en 24 zorgverleners geïnterviewd. De groep zorgverleners bestaat uit 1 verpleegassistent, 12 verpleegkundigen, 1 voedingsassistent, 6 fysiotherapeuten en 4 artsen.

Onder ‘bewegen gedurende een ziekenhuisopname’ worden met name activiteiten van het dagelijkse leven verstaan zoals douchen, aankleden en eten. Naast het thema bewegen wordt het begrip ‘rust’ omschreven, bestaande uit ‘fysieke rust’ en ‘mentale rust’. ‘Actief zijn’, ‘iets willen’ en het ‘bereiken van een doel’ zijn breed gedeelde opvattingen gerelateerd aan bewegen gedurende een ziekenhuisopname. Binnen het ziekenhuis specifiek noemen patiënten en zorgverleners  het doel ‘gezondheid te bevorderen’ (conditie opbouwen, meer spierkracht krijgen, ademhaling verbeteren), waarbij het doel is weer ‘op niveau van voor het ziekenhuis’ te komen. Een enkeling ziet het bewegen als doel op zichzelf.

Belemmeringen voor bewegen gedurende een ziekenhuisopname zijn bijvoorbeeld medische belemmeringen, zoals inadequate pijnstilling en complicaties. Belemmerende randvoorwaarden zijn onder andere onvoldoende fysiotherapie, onvoldoende ondersteunend hulpmateriaal en een deactiverende ziekenhuisomgeving. Als bevorderende factoren worden ‘zorg op maat’ en ‘persoonlijke aandacht’ genoemd.

Implicatie voor fysiotherapie

De beweegzorg voor patiënten in het ziekenhuis zou op maat van de patiënt met persoonlijke aandacht aangeboden moeten worden. Verder zouden ziekenhuisfysiotherapeuten zich naast het bestrijden van individuele beweegproblemen ook moeten richten op het creëren van betere randvoorwaarden.

Lees verder
Niek Koenders
Construct validiteit en inter-beoordelaars betrouwbaarheid van de Nederlandse AM-PAC ‘6-clicks’ Basic Mobility short form om de mobiliteit van ziekenhuispatiënten te meten.

Doelstelling

Een groot deel van de ziekenhuispatiënten ervaren beperkingen in mobiliteit. Bestaande meetinstrumenten om een vermindering van mobiliteit in kaart te brengen zijn erg tijdsintensief in gebruik, wat implementatie in de dagelijkse ziekenhuiszorg in de weg staat. De “Activity Measure voor Post-Acute Care ‘6-clicks’ Basic Mobility” (AM-PAC BM) is een makkelijk te gebruiken, snel meetinstrument, welke 6 veelgebruikte activiteiten objectief scoort. Dit betreft het rollen in bed, transfer van lig naar zit, van bed naar stoel, van zit naar stand, het lopen op de kamer en ten slotte drie tot vijf treden traplopen. Om dit meetinstrument binnen de Nederlandse gezondheidszorg te kunnen implementeren, waren de doelstellingen van deze studie om: (1) de AM-PAC BM naar Nederlands vertalen, en het bepalen van (2) de constructvaliditeit en (3) inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid bij ziekenhuispatiënten.

Methode

De methode was driedelig: 1) de AM-PAC BM is middels een ‘forward-backward’ vertaalprotocol van het Engels naar Nederlands vertaald, 2) de construct validiteit is bepaald bij patiënten binnen de divisie Interne Geneeskunde, door zes hypothesen te toetsen over het construct ‘mobiliteit’, 3) de inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid is bepaald door paren van fysiotherapeuten gezamenlijk patiënten te laten beoordelen.

Resultaten

Vijf van de zes hypothesen (83,33%) werden bevestigd: 1) betere AM-PAC scores waren gerelateerd aan minder beperkte pre-opname thuissituaties (p=0.011), 2) minder beperkte ontslaglocaties (p=0.001), 3) meer onafhankelijkheid binnen alledaagse activiteiten (p=0.001), 4) minder fysiotherapie bezoeken (p=0.000) en 5) er is een correlatie tussen het eerste fysiotherapie consult en de opnameduur van een patiënt (r = -0.408, p = 0.001). Er blijkt geen correlatie met de leeftijd van de patiënt gevonden werd (r = -0.180, p = 0.528). Wat betreft de inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid worden er ICC’s gevonden tussen 0.919 (95% CI: 0.862-0.953) en 0.920 (95% CI: 0.828-0.964), en gewogen Kappa’s tussen 0.649 (traplopen) en 0.841 (van zit naar stand).

Conclusie

Deze studie laat een goede construct validiteit zien van de Nederlandse AM-PAC ‘6-clicks’ Basic Mobility short form voor de beoordeling van de mobiliteit van ziekenhuispatiënten. Het meetinstrument laat tevens een goede inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid zien.

Klinische relevantie

De AM-PAC BM biedt de Nederlandse fysiotherapeut een gemakkelijke, vlugge manier om binnen de reguliere ziekenhuiszorg de mobiliteit van de patiënt objectief te meten. Daarnaast biedt het de Nederlandse fysiotherapeuten ook een  manier om de validiteit van hun klinische aanbevelingen te verbeteren met betrekking tot de zorg en bestemming na ontslag

Lees verder
Sven Geelen
De fysiotherapeutische behandeling van patiënten met sterk beperkte knieflexie na het plaatsen van een knieprothese. Een vergelijkende, retrospectieve studie.

Achtergrond

Het plaatsen van een totale knieprothese (TKP) moet leiden tot een pijnvrij en goed functionerend kniegewricht. Voor optimaal herstel worden patiënten postoperatief fysiotherapeutisch behandeld. Onvoldoende knieflexie is een van de meest voorkomende complicaties na TKP plaatsing en kan leiden tot minder tevredenheid met het resultaat. Er is nog weinig bekend over hoe de fysiotherapeutische behandeling moet worden aangepast bij vertraagd herstel en hoeveel invloed dit heeft. Van de patiënten die in het St. Anna  ziekenhuis een TKP operatie ondergaat heeft 8 weken postoperatief 10% nog onvoldoende knieflexie(<900), terwijl wel fysiotherapeutische behandelding heeft plaatsgevonden.

Vraagstelling

Zijn er verschillen in de fysiotherapeutische behandeling van patiënten met een slecht herstelde knieflexie na TKP ten opzichte van patiënten waarbij de knieflexie wel goed is hersteld?

Methode

Retrospectieve analyse van de fysiotherapeutische behandeling van patiënten waarbij de knieflexie de eerste postoperatieve dag na unilaterale TKP plaatsing ≤70° was. Daarbij had de ene (onderzoeks-)groep 8 weken postoperatief <900 knieflexie (n=59) en de andere (controle-)groep 8 weken postoperatief >1150 knieflexie (n=69). Na METC goedkeuring en informed consent werden behandeldossiers opgevraagd. De volgende variabelen werden vergeleken: aantal behandelingen, behandelfrequentie, patiënt motivatie (NRS score), behandelintensiteit (Borgschaal 6-20), duur per behandeling, wel/geen knie-mobilisatie oefeningen en soort (passief, actief, beide), wel/geen krachtoefeningen en soort (functioneel, apparaten, beide). Risicofactoren (leeftijd, BMI, roken/alcohol gebruik, pre-operatieve knieflexie, bewegingsangst (TAMPA schaal) en ASA classificatie werden ook vergeleken.

Resultaten

54 Fysiotherapeutische dossiers waren beschikbaar voor analyse (42% response; Onderzoeksgroep n=22, controlegroep n=32). Er waren geen significante verschillen in duur per behandeling of aard van de behandeling. Het aantal behandelingen was significant hoger in groep 1 (47 vs 20, p <0.001). Patiënten uit de onderzoeksgroep waren jonger (64.7 vs 71.1 jaar, p = 0.14) met een slechtere pre-operatieve flexie (1110 vs 1250 , p = 0.10) zonder verschillen in BMI (30.8 vs 28.5, p = 0.90) of bewegingsangst (39.2 vd 34.6, p = 0.13).

Conclusie

Relatief jongere patiënten met voorafgaand aan een knieprothese en direct postoperatief een sterk beperkte knieflexie hebben een vergrote kans op onvoldoende herstel. Dit ondanks intensievere fysiotherapeutische nabehandeling. Daarbij lijkt de kwaliteit van de fysiotherapeutische behandeling niet af te wijken van die bij patiënten die wel goed herstellen na deze operatie.

Implicatie voor fysiotherapie

Intensievere fysiotherapeutische behandeling bij slecht herstellende knieflexie na een totale knie-operatie lijkt niet altijd zinvol. Vroegtijdige interdisciplinaire afstemming tussen fysiotherapeut en orthopedisch chirurg over het postoperatieve behandelbeleid bij deze risicopatiënten kan mogelijk tot beter resultaat leiden.

Lees verder
Walter van der Weegen
De invloed van verschillende ademhalingsfrequenties op de hartslagvariabiliteit

Achtergrond

Fysiotherapeuten krijgen in toenemende mate te maken met patiënten met complexere klachten, waarbij psychosociale variabelen belangrijke in stand houdende factoren kunnen zijn. Er zijn echter weinig evidence based en praktisch toepasbare programma’s, die efficiënt op deze factoren aangrijpen. De wel beschikbare interventies trachten meestal door ademhaling- en zelfregulatie-technieken stress te reduceren.

Vraagstelling

Wat is vanuit fysiologisch opzicht, de meest ideale ademhalingsfrequentie om ontspanning te bereiken?

Methode

Een gerandomiseerde cross-sectionele studie bij gezonde proefpersonen is uitgevoerd. Proefpersonen ademen achtereenvolgens gedurende 2 minuten in gerandomiseerde volgorde in 5 verschillende frequenties (4,5,6,7 en 8 ademhalingen per minuut). Ontspanning is geoperationaliseerd door het meten van de hartslagvariabiliteit (HRV) tijdens de interventie. De hoogte van het HRV signaal blijkt een maat te zijn voor functioneren van het autonome zenuwstelsel, waarbij over het algemeen hogere HRV waarden (waaronder SDNN, lage frequentie (LF) en hoge frequentie (HF)) geassocieerd zijn met een goede werking van het autonome zenuwstelsel. De verschillen in HRV tussen de 5 condities zijn met repeated measures ANOVA’s getoetst.

Resultaten

In totaal hebben 85 proefpersonen deelgenomen. Verschillende HRV-maten (SDNN, LF en HF) bleken significant negatief te zijn gerelateerd aan ademhalingsfrequentie (p<0.01), behalve bij de frequentie van 4 ademhalingen per minuut, waarschijnlijk doordat proefpersonen niet getraind zijn om zo langzaam te ademen. De LF/HF-ratio was significant positief (p<0.01) gerelateerd aan de ademhalingsfrequentie, wat betekent dat activiteit van de nervus vagus toenam, mogelijk resulterend in meer ontspanning.

Conclusie

Lagere ademhalingsfrequenties zijn gerelateerd aan hogere hartslagvariabiliteit. De vagale activiteit (een belangrijke mate voor ontspanning) is het hoogst bij ademhalingsfrequenties van 5 en 6 ademhalingen per minuut.

Implicatie voor fysiotherapie

Fysiotherapeuten kunnen voor psychosociale therapie bekende en bestaande protocollen van ademhalingsoefeningen inzetten. Bij voorkeur zijn frequenties van 5 á 6 ademhaling per minuut (al dan niet via een app) te gebruiken om snel en effectief ontspanning van het autonome zenuwstelsel te bewerkstelligen

Lees verder
Remko Soer
De kosten-effectiviteit van e-Exercise in vergelijking met reguliere fysiotherapie bij patiënten met artrose aan de heup en/of knie

Achtergrond

Oefentherapie is een effectieve fysiotherapeutische behandelstrategie voor patiënten met knie- en heup artrose. Blended oefentherapie, waarbij face-to-face sessies geïntegreerd worden aangeboden met een online programma, is mogelijk een kosteneffectief alternatief en kan patiënten ondersteunen bij huiswerkoefeningen en zelfmanagement. Binnen het door de onderzoekers ontwikkelde e-Exercise Artrose worden vijf fysiotherapie behandelingen geïntegreerd aangeboden met een 12 weken durend online programma. Het online programma bestaat een graded activity module, kracht-/stabiliteit oefeningen en informatiethema’s.

Vraagstelling

Wat is de kosteneffectiviteit van e-Exercise vanuit het maatschappelijk- en gezondheidszorg perspectief in vergelijking met reguliere fysiotherapie bij patiënten met knie- en heup artrose?

Methode

Deze kosteneffectiviteit studie maakt onderdeel uit van een multicenter cluster gerandomiseerde trial, waarin e-Exercise werd vergeleken met reguliere fysiotherapie voor mensen met artrose aan de heup en/of knie. Klinische uitkomstmaten waren quality-adjusted life years (QALYs), berekend met behulp van de EuroQol (EQ-5D-3L), fysiek functioneren (HOOS/KOOS) en fysieke activiteit (Actigraph Accelerometer). Kosten zijn in kaart gebracht met zelf-gerapporteerde vragenlijsten. Missende data zijn geïmputeerd, bootstrapping is gebruikt om de statistische onzekerheid te schatten.

Resultaten

Na 12 maanden zijn er geen statistisch significante verschillen gevonden in klinische uitkomstmaten tussen de beide groepen (QALYS (0-1): B=0.01; 95%CI: -0.03 tot 0.04; HOOS/KOOS (0-100): B=1.49; 95%CI: -4.70 tot 0.69; Accelerometer (min/dag): B=-3.46; 95%CI: -11.66 tot 4.73). Het behandelgemiddelde bij e-Exercise was 5 sessies, bij de reguliere fysiotherapie 12 sessies. De interventiekosten van e-Exercise (ΔC €-202; 95% CI:-286 tot -120) waren dan ook, evenals de medicatiekosten in die groep (ΔC €-151; 95%:-340 tot -52), significant lager dan van reguliere fysiotherapie. De totale maatschappelijke- en gezondheidszorgkosten waren niet significant verschillend van elkaar. Voor fysiek functioneren en fysieke activiteit was de maximale kans dat e-Exercise kosteneffectief was in vergelijking met reguliere fysiotherapie middelmatig; 0.67 vanuit maatschappelijk perspectief en 0.82 van gezondheidszorg perspectief. Voor QALYs was de kans dat e-Exercise kosteneffectief was in vergelijking met reguliere fysiotherapie, 0.68 vanuit het maatschappelijk perspectief en 0.80 vanuit het gezondheidszorg perspectief bij een betalingsbereidheid van €10.000,-/QALY. Bij een betalingsbereidheid van €80.000,-/QALY was de kans 0.70 vanuit maatschappelijk perspectief en 0.84 vanuit gezondheidszorg perspectief.

Conclusie

Hoewel de interventiekosten van e-Exercise significant lager zijn dan die van reguliere fysiotherapie, bleek e-Exercise vanuit zowel het maatschappelijk- als het gezondheidszorg perspectief niet kosten-effectief te zijn, in vergelijking met reguliere fysiotherapie voor mensen met knie/heup artrose.

Implicatie voor fysiotherapie

De beslissing om e-Exercise wel of niet in te zetten, kan gebaseerd worden op de voorkeuren van de patiënt en/of de

Lees verder
Corelien Kloek
De Pelvic Girdle (bekkengordel) vragenlijst: vertaling en aanpassing aan de Nederlandse cultuur, factoranalyse en constructvaliditeit in de Nederlandse versie

Achtergrond

Veel vrouwen kampen tijdens en na de zwangerschap met bekkenpijn (pelvic girdle pain, PGP) gepaard gaand met functionele beperkingen. Vaak worden vragenlijsten, gevalideerd voor lage rugpijn (LBP),  gebruikt om deze beperkingen te inventariseren, ondanks  het feit dat door PGP-patiënten andere klachten gemeld worden en deze vragenlijsten niet voor bekkenpijn zijn gevalideerd.  In Noorwegen is de ‘Pelvic Girdle Questionnaire’ (PGQ)  ontwikkeld en gevalideerd. Deze vragenlijst, specifiek ontwikkeld voor vrouwen met bekkenpijn,  is helaas niet beschikbaar in het Nederlands.  De PGQ  bestaat uit twee onderdelen. Er is echter nooit een factoranalyse uitgevoerd .1

Vraagstelling

Het doel van deze studie was (1) het vertalen van de PGQ in het Nederlands en aanpassen aan de Nederlandse cultuur; (2) de face validiteit te toetsen; (3) de factorstructuur en interne consistentie te onderzoeken; (4) de constructvaliditeit ten opzichte  van LBP-vragenlijsten te beoordelen en (5) een kwalitatieve beoordeling uitvoeren van de voorkeur van  PGP-patiënten en bekkenfysiotherapeuten voor de PGQ of de Quebec Back Pain Disability Score (QBPDS).

Methode

Na de vertaling conform Beaton regels werd de Nederlandse PGQ  aangenomen. 109 zwangere en postpartum PGP-patiënten (> 18-jarig), vulden de Nederlandse versie van de PGQ in.  88 van deze vrouwen vulden ook de Quebec Back Pain Disability Scale (QBPDS), de Oswestry Disability Index (ODI) en de NRS -pijn in en voerden een Active Straight Leg Raising Test (ASLR) uit.

Om inzicht te krijgen in de factorstructuur van de Nederlandse versie van de PGQ werd wel een factoranalyse uitgevoerd.

De interne consistentie werd  berekend. Overeenkomsten en correlaties tussen de PGQ en QBPDS, ODI, NRS-pijn en ASLR werden berekend met behulp van de Bland en Altman-methode en Spearman rangcorrelaties.

Resultaten

De Nederlandse PGQ (-3 items) bevat twee factoren met een hoge interne consistentie . Dit zijn andere factoren dan beschreven in de Noorse versie. De PGQ heeft een hoge correlatie met de QBPDS en ODI som score (Spearmen’s-Rho, resp.0.85, 0.74) en een lage correlatie met de ASLR. Patiënten en bekkenfysiotherapeuten hebben een voorkeur voor de PGQ ten opzichte van de QBPDS.

Conclusie

Voor het meten van PGP-gerelateerde beperkingen is de Nederlandse versie van de PGQ valide en betrouwbaar en wordt door zowel patiënten als bekkenfysiotherapeuten geprefereerd boven de QBPDS. De QBDPS meet hetzelfde construct.

Implicatie voor fysiotherapie

Nederlandse fysiotherapeuten kunnen bij vrouwen met bekkenpijn de Nederlandse versie van de PGQ gebruiken, een vragenlijst, specifiek ontwikkeld voor deze patiëntencategorie.

Lees verder
Liesbeth Westerik-Verschuuren
De validiteit van de Range of Monitor

Achtergrond

Binnen de fysiotherapie bestaat er behoefte aan goede meetinstrumenten. Alhoewel er een groot scala aan meetinstrumenten voor handen is, blijken deze meetinstrumenten vaak te duur, onbetrouwbaar en niet valide of hanteerbaar te zijn. De Range of Monitor is een mobiele applicatie die de bewegingsuitslag van de schouder meet.  Met deze applicatie is het mogelijk om op simpele wijze de mobiliteit van de schouder te meten.

Vraagstelling

Wat is de validiteit van de Range of Monitor applicatie bij een actief bewegingsonderzoek van de schouder?

Methode

In dit onderzoek zijn 10 proefpersonen tussen de 18 en 30 jaar geïncludeerd. De proefpersonen voerden een actief schouderonderzoek uit, bestaande uit 7 verschillende beweegrichtingen. Tijdens het schouderonderzoek werden de schouderhoeken in graden en de hoeksnelheid in graden per milliseconde gelijktijdig gemeten met het Vicon 3D-bewegingsanalysesysteem en de Range of Monitor applicatie. De schouderhoeken en de hoeksnelheid van de Range of Monitor-applicatie werden vergeleken met de Vicon en berekend met de intraclass correlatie coëfficiënt (ICC).

Resultaten

De resultaten van de abductie, anteflexie, horizontale adductie, horizontale exorotatie, exorotatie en horizontale endorotatie laten een excellente overeenstemming zien met een ICC tussen de 0,932 en 0,998. De resultaten van retroflexie laten een goede overeenstemming zien met een ICC van 0,752. De resultaten van de overeenstemming tussen de hoeksnelheden varieerden tussen de 1,476 graden per milliseconde voor horizontale adductie en 11,075 graden per milliseconde voor abductie.

Conclusie

Dit onderzoek suggereert dat de Range of Monitor een valide meetinstrument is voor het meten van de range of motion bij een actief schouderonderzoek. Omdat de resultaten veelbelovend zijn, acht de onderzoeksgroep het van belang om de ook betrouwbaarheid van de Range of Monitor verder in kaart te brengen.

Implicatie voor fysiotherapie

Er is een opkomende markt van E-health producten binnen de fysiotherapie. De Range of Monitor draagt hier als innovatief meetinstrument aan bij. Het is een goedkoop, hanteerbaar en valide meetinstrument voor het meten van de range of motion van de schouder. De ontwikkelde technologie kan in de toekomst veel mogelijkheden bieden in het inzichtelijk maken van het herstel

Lees verder
José van de Bovenkamp
e-Exercise Lage Rugpijn, een blended interventie voor patiënten met aspecifieke lage rugklachten: een pilot studie

Achtergrond

Voorlichting, uitbreiden van het activiteitenniveau en oefentherapie zijn effectieve behandelstrategieën voor patiënten met aspecifieke lage rugpijn (LRP). Blended fysiotherapie, waarbij een web-applicatie geïntegreerd wordt binnen face-to-face behandelingen, kan patiënten met LRP ondersteunen bij zelfmanagement en therapietrouw. Het behandelen van patiënten met LRP, gestratificeerd op het risico op chroniciteit (vastgesteld middels de STarT Back Screening Tool), leidt tot betere uitkomsten.  

Vraagstelling

Wat is de bruikbaarheid en voorlopige effectiviteit van gestratificeerde blended oefentherapie bij LRP?

Methode

Op basis van focusgroepen (met patiënten, fysiotherapeuten en experts), de KNGF Richtlijn LRP, literatuur en de eerder ontwikkelde interventie e-Exercise Artrose, is e-Exercise LRP ontwikkeld. De web-applicatie bestond uit 12 wekelijkse modules met educatie, huiswerkoefeningen en beweegopdrachten. Fysiotherapeuten konden de inhoud aanpassen en de beweegopdrachten gradueel laten toenemen. Uitkomstmaten, gemeten op baseline en na 12 weken, waren tevredenheid van patiënten en fysiotherapeuten (5-punts schaal en SUS) en functionele beperkingen (QBPDS). Secundaire uitkomstmaten waren het aantal fysiotherapiebehandelingen, gebruik van de web-applicatie, pijn (NRS), fysieke activiteit en pijn-gerelateerde angst. Aanvullend zijn interviews afgenomen bij 7 fysiotherapeuten en 7 patiënten om ervaringen met e-Exercise te onderzoeken. Effecten zijn geanalyseerd met behulp van Wilcoxon Signed Rank toetsen. Interviews zijn getranscribeerd en gecodeerd.

Resultaten

Patiënten scoorden 4,03 (SD:0,81) op tevredenheid en 73,18 (SD:16,29, schaal 0-100) op bruikbaarheid. Na 12 weken werd een significante verbetering op de QBPDS (-12,2/100; SD:11,7; p<0,01) en NRS (-2,8/11; SD:2,3; p<0,01) gevonden. Er werd geen effect gevonden op fysieke activiteit en pijn-gerelateerde angst. Het behandelgemiddelde was 7 (6 in de laag risico groep; 7 in de matig-risico groep en 10 in de hoog risico groep). Patiënten hebben gemiddeld 28 keer ingelogd in de web-applicatie en evalueerden de web-applicatie als gebruiksvriendelijk.

Bruikbaarheid werd door fysiotherapeuten gescoord op 63,33 (SD:12,04). Hoewel het fysiotherapeuten tijd kostte om met de web-applicatie te werken, werden de mogelijkheden om behandelvoortgang te monitoren en therapietrouw en eigen regie  te stimuleren, als meerwaarde gezien. Mogelijkheden om de web-applicatie te stratificeren op het risicoprofiel zijn minimaal gebruikt. Verbeterpunten van e-Exercise LRP zijn het ontwikkelen van een app, de web-applicatie vereenvoudigen en een activiteitenmonitor integreren.

Conclusie

E-Exercise LRP bleek bruikbaar en lijkt effectief. In een uitgebreid vervolgonderzoek naar de effectiviteit van e-Exercise LRP wordt de interventie verder verbeterd en vergeleken met reguliere fysiotherapie.

Implicatie voor fysiotherapie

Het integreren van een web-applicatie binnen de fysiotherapeutische behandeling van LRP kost opstarttijd, maar biedt veel potentie wat betreft patiënt-tevredenheid, effectiviteit en kosten-effectiviteit

Lees verder
Mark van Tilburg
Een cross-sectioneel onderzoek naar performance en krachttesten bij 164 sporters met heup-/liesklachten en 164 gematchte gezonden

Achtergrond:

Liesklachten komen veelvuldig voor bij sporten met explosieve acties. De incidentie bij voetballers is 0.4 per 1000 sporturen. In de sportfysiotherapeutische praktijk worden performance en kracht gemeten, echter is nog niet onderzocht of er onderscheid kan worden gemaakt in performance en kracht tussen sporters met en zonder heup-/liesklachten. In zowel de literatuur als de praktijk wordt veelvuldig de aangedane zijde met de niet-aangedane zijde vergeleken. Deze vergelijking is ook nog niet onderzocht bij sporters met heup-/liesklachten gericht op performance en krachttesten.

Vraagstellingen:

1.) Wat is het verschil in performance en kracht tussen sporters met heup-/liesklachten en gezonde proefpersonen? 2.) Wat is het verschil in performance en kracht tussen de aangedane zijde en niet-aangedane zijde bij sporters met heup-/liesklachten?

Methode:

Een cross-sectioneel onderzoek werd uitgevoerd onder 164 sporters met heup-/liesklachten en 164 gematchte proefpersonen (198 mannen, mediaan leeftijd 28.0 jaar, IQR 10). De Y-balance test, single leg hop test en zes krachttesten werden volgens de make en break methode gemeten waarbij de volgorde van testen gerandomiseerd werd. De verschillen tussen sporters met heup-/liesklachten en gematchte proefpersonen werden getoetst met de independent t-test of Mann-Whitney U-test. De verschillen tussen de aangedane zijde en niet-aangedane zijde bij sporters met heup-/liesklachten werden getoetst met de paired t-test of Wilcoxon test.

Resultaten:

Sporters met heup-/liesklachten hadden een significant lagere sprongafstand op de single leg hop test en lagere kracht van de aangedane zijde in vergelijking met de gematchte zijde van de gezonde proefpersonen, dit voor de adductie make en break, abductie make, squeeze make en break en flexie make en break (p<0.05). De niet-aangedane zijde van sporters met heup-/liesklachten bleek op geen enkele krachtrichting significant te verschillen van gematchte proefpersonen. De sprongafstand is wel significant lager. Bij de sporters met heup-/liesklachten was er een significant verschil ten nadele van de aangedane zijde in vergelijking met de niet-aangedane zijde. Dit voor alle krachtrichtingen behalve exorotatie break en endorotatie make. De Y-balance test is in geen van de verschiltoetsen significant verschillend.

Conclusie:

Er kan op de single leg hop test en meerdere krachtsrichtingen onderscheid worden gemaakt tussen sporters met en zonder heup-/liesklachten. De aangedane zijde en niet-aangedane zijde van de sporters met heup-/liesklachten kunnen op diverse krachttesten vergeleken worden, maar niet op de Y-balance test, single leg hop test, exorotatie break en endorotatie make.

Implicaties voor de fysiotherapie:

De aangedane zijde kan wat betreft performance en kracht evaluatief niet altijd vergeleken worden met de niet-aangedane zijde.

Lees verder
Astrid Vereijken
Een gestratificeerde behandeling (‘stratified care’) door eerstelijns fysiotherapeuten is goed toepasbaar bij patiënten met knieartrose: uitkomsten van een pilotstudie

Achtergrond

Hoewel er sterk bewijs is voor de effectiviteit van oefen-/fysiotherapie bij knieartrose op het verminderen van kniepijn en beperkingen in dagelijks functioneren, zijn de effecten maar klein tot matig. Dit kan waarschijnlijk verhoogd worden door de behandeling af te stemmen op specifieke subgroepen (‘stratified care’). Deze subgroepen hebben wij in eerder onderzoek al geïdentificeerd, maar een stratificatiemodel voor knieartrose is nog nooit ontwikkeld.

Vraagstelling

Is een nieuw ontwikkeld stratificatiemodel met daarin een indeling in subgroepen en subgroepspecifieke behandelingen goed toepasbaar in de dagelijkse eerstelijns fysiotherapie?

Methode

Een ongecontroleerde pilotstudie met voor- en nameting bij 50 patiënten met de klinische diagnose knieartrose, die vanwege persisterende knieklachten 1 van de 14 deelnemende eerstelijns fysiotherapeuten bezochten. Volgens het stratificatiemodel werden deze patiënten op basis van knieextensiekracht, BMI en depressieve symptomen ingedeeld in 1 van de volgende 4 subgroepen en ontvingen zij een subgroepspecifieke fysiotherapiebehandeling: ‘hoge spierkracht subgroep’ (3-4 sessies), ‘lage spierkracht subgroep’ (8-12 sessies), ‘obesitas subgroep’ (12-18 sessies + doorverwijzing naar diëtist) en ‘graded activity subgroep’ (12-18 sessies + doorverwijzing naar huisarts). De toepasbaarheid van het stratificatiemodel werd onderzocht op basis van een procesevaluatie en interviews met alle patiënten en fysiotherapeuten. De behandeluitkomst werd gemeten met de KOOS subschaal dagelijks functioneren (100-0) en de NRS kniepijn (0-10), afgenomen op baseline en na 4 maanden follow-up.

Resultaten

Vijftig patiënten konden worden geïncludeerd (55% vrouw, gemiddelde leeftijd 64 jaar, gemiddelde duur knieklachten 8 jaar), en volgens het stratificatiemodel als volgt worden ingedeeld: 17 patiënten (34%) in de ‘hoge spierkracht subgroep’, 23 patiënten (46%) in de ‘lage spierkracht subgroep’, 6 patiënten (12%) in de ‘obesitas subgroep’ en 4 patiënten (8%) in de ‘graded activity subgroep’. Slechts 2 van de 50 patiënten stopten voortijdig met de behandeling. Patiënten ontvingen gemiddeld 9 fysiotherapiesessies. De toepasbaarheid van het stratificatiemodel en de behandelingen bleek zeer goed te zijn, zowel vanuit patiënten- als therapeutenperspectief. We vonden klinisch relevante, significante verbeteringen op KOOS subschaal dagelijks functioneren (baseline: 60%, follow-up: 75%, effectgrootte: 0.8, p<.001) en NRS kniepijn (baseline: 5.7, follow-up: 3.5, effectgrootte 1.3, p<.001).

Conclusies

Het stratificatiemodel lijkt goed toepasbaar te zijn in de dagelijkse eerstelijns fysiotherapie. Nieuw, gecontroleerd onderzoek zou de (kosten)effectiviteit van dit model ten opzichte van reguliere fysiotherapie moeten aantonen.

Implicaties voor de fysiotherapie

Het stratificatiemodel met subgroepenindeling en subgroepspecifieke behandelingen biedt de fysiotherapeut concrete handvatten om de behandeling meer op maat en daarmee zo effectief en doelmatig mogelijk aan te bieden.

Lees verder
Jesper Knoop
Een zorgpad met aandacht voor preoperatieve risicostratificatie, functionele mobiliteit en participerende patiënten die een totale heup (THA) of knie arthroplastiek (TKA) ondergaan, wat levert het de patiënt op?

AanleidingIn Nederland worden bij patiënten jaarlijks ruim 34.000 heup- en 18.500 kniegewrichten operatief vervangen door een prothese.

De periode rondom de ziekenhuisopname vergroot de kans op postoperatieve complicaties en blijvend functieverlies. Een van de belangrijkste oorzaken van blijvend functieverlies is inactiviteit van de patiënt voor en tijdens een opname. Hospitalisatie leidt bij 30% van de oudere patienten tot vertraagd functioneel herstel, waardoor het preoperatief niveau van functioneren niet meer gehaald wordt.

Door deze nieuwe inzichten heeft in ziekenhuis Nij Smellinghe te Drachten een transitie van zorg plaatsgevonden binnen de zorgpaden voor THA en TKA patiënten. Van gestandaardiseerd zorg met “one size fits all” naar het “personal care” programma met Beter in, Beter Out-concept en hoogwaardige Fast-trackchirurgie. Hierbij ligt de focus op preoperatieve risicostratificatie, behoud en herstel van de functionele mobiliteit van de patiënt en tijdens opname een actief participerende patiënt binnen een actieve zorgcultuur en infrastructuur.

Evaluatie van meetresultaten bij deze zorgpaden kan informatie geven over de impact van het zorgpad op de functionele mobiliteit drie maanden na een THA en TKA.

Probleemstelling: Wat is het verschil in de functionele mobiliteit drie maanden na een Totale Heup Artroplastiek (THA) en Totale Knie Artroplastiek (TKA) bij het huidige Fast-track zorgpad vergeleken met het Function-tailored zorgpad uit 2012?

MethodeProspectief werd data verzameld van preoperatieve patientengegevens en functionele mobiliteit, gemeten met de Timed-up-and-Go-test (TUG), drie maanden postoperatief. De Fisher Exact-test, Mann-Whitney U test en unpaired t-test werden gebruikt om preoperatieve en postoperatieve verschillen tussen de twee zorgpaden te analyseren. Multivariabele en logistieke regressie werd gebruikt om voor confounders te corrigeren.

ResultatenPatienten in het Fasttrack zorgpad (n=52) scoorden gemiddeld 1.23 seconden (95% CI -2.13 – -0.14) beter op de TUG (P=0.03) en waren geassocieerd met een verhoogde kans (odds ratio 4.9, 95% CI 1.17-20.70) op het halen van de TUG-norm (P=0.02) vergeleken met patienten uit het Function-tailored zorgpad (n=51).

Patienten met verhoogd risico op functioneel vertraagd herstel scoorden in het Fast-trackzorgpad (n=17) 2.18 seconden beter op de TUG (P=0.50) en bereikten vaker de TUG-norm (23.5%, P=0.23) dan patienten in het Function-tailored zorgpad (n=17).

ConclusieDe resultaten suggereren dat patiënten in het Fast-track zorgpad drie maanden na THA en TKA een betere functionele mobiliteit hebben vergeleken met patiënten in het Function-tailored zorgpad.

Implicatie voor FysiotherapieDoor meer zorg op maat te bieden, met aandacht voor optimalisatie van de functionele mobiliteit rondom de operatie, lijken patiënten ook op langere termijn te profiteren

Lees verder
Marcel van der Veen MSc.
Eerstelijns revalidatiezorg na intensive care opname: een Delphi consensus studie

Achtergrond

Dankzij vooruitgang in de medische zorg overleven steeds meer mensen een ernstige ziekte op de intensive care (IC). Na ontslag uit het ziekenhuis zoekt een groot deel contact met een fysiotherapeut omdat zij worden geconfronteerd met problemen in fysiek en mentaal functioneren als onderdeel van het Post Intensive Care Syndroom (PICS). Dit leidt vaak tot beperkingen op participatieniveau zoals het terugkeren naar werk, het deelnemen aan sociale sportactiviteiten en het uitvoeren van huishoudelijke taken. Deze patiënten ontvangen veelal een suboptimale fysiotherapeutische interventie omdat kennis omtrent PICS ontbreekt en omdat er geen richtlijnen bestaan over revalidatie na ontslag uit het ziekenhuis voor mensen die een ernstige ziekte op de IC hebben overleefd. Daarom was het doel van dit onderzoek om praktische aanbevelingen voor 1ste lijn revalidatiezorg voor (ex) IC-patiënten te ontwikkelen.

Vraagstelling

Welke informatie moet een overdracht vanuit het ziekenhuis naar een fysiotherapeut in de 1ste lijn bevatten?  Wat zijn bruikbare meetinstrumenten? Welke fysiotherapeutische doelen worden aanbevolen? Welke fysiotherapeutische interventies worden aanbevolen voor mensen die een ernstige ziekte op de IC hebben overleefd?

Methode

We hebben met de hulp van een expert panel een Delphi studie uitgevoerd (drie rondes). Een explorerende literatuur review vormde de basis voor de eerste ronde waarin ook de stellingen werden opgezet met inbreng van het expert panel. De volgende twee rondes werden gebruikt om consensus te bereiken over de stellingen. Tien Nederlandse panelleden namen deel; drie 1ste lijn fysiotherapeuten, vier IC-fysiotherapeuten, een ergotherapeut, een verpleegkundige en een voormalig IC-patiënt. Alle leden hebben ervaring met (ex) IC-patiënten. Consensus is vooraf gedefinieerd als een semi-interkwartiele spreiding van ≤0.5.

Resultaten

Na drie Delphi rondes was er consensus bereikt op 95.5% van de in totaal 68 stellingen. Dit resulteerde in een raamwerk met aanbevelingen over overdrachtsinformatie, aanbevolen meetinstrumenten fysiotherapiedoelen en fysiotherapiebehandelingen voor (ex) IC-patiënten in de 1ste lijn. Tevens werden meetinstrumenten aanbevolen om te screenen op  symptomen van posttraumatische stress, ondervoeding, angst, vermoeidheid en cognitieve functie om zodat een fysiotherapeut eventueel kan doorverwijzen naar andere zorgprofessionals.

Conclusie

Dit Nederlandse raamwerk voorziet 1ste lijn fysiotherapeuten van informatie en advies van experts over diagnostiek en interventies voor patiënten die een ernstige ziekte op de IC hebben overleefd.

Implicaties voor fysiotherapie

Onze studie bevordert de implementatie van evidence-based fysiotherapeutische interventies en verbetert de kwaliteit en transitie van zorg voor mensen die opgenomen zijn geweest op de IC. In vervolg onderzoek zal vanuit het raamwerk een interventie worden ontwikkeld en onderzocht op effectiviteit.

Lees verder
Robin Kwakman
Ervaren Kwaliteit van Leven na een trauma; een focusgroep studie

Achtergrond

Patiënten kunnen als gevolg van een ongeval op fysieke, psychische en sociale aspecten veranderingen ervaren. is echter grotendeels onbekend.

Vraagstelling

De doelstellingen van dit kwalitatieve onderzoek waren om (1) ervaren veranderingen in KvL na een ongeval in kaart te brengen en (2) de face validiteit  (eerste indruk of een test meet wat het beoogd te meten) van de World Health Organization Quality of Life-BREF (WHOQOL-BREF) vragenlijst te onderzoeken.

Methode

Inclusiecriteria waren: ongevalsslachtoffers opgenomen in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (Tilburg) met a) leeftijd van 75 jaar of ouder; b) zwaargewond; c) onderste extremiteit letsel; of d) ernstig hersenletsel. Tijdens de focusgroepen werden er audio-opnames gemaakt die vervolgens werden uitgetypt. Open coderingen (toekennen van steekwoorden aan de tekst) werden gebruikt om veranderingen van KvL in kaart te brengen en om de face validiteit van de WHOQOL-BREF te onderzoeken.

Resultaten

Ongeacht leeftijd en ernst van het ongeval werden veranderingen op de verschillende aspecten van KvL vrijwel hetzelfde door alle deelnemers (n=20, gem 55j) ervaren. Vroeg in het herstelproces overheersten fysieke beperkingen, afhankelijkheid, pijn en angst. Later in het herstelproces gaven patiënten aan moeite te hebben met het accepteren van blijvende gevolgen. Persoonlijkheid, verwachtingen van de patiënt, erkenning van de beperkingen, een sociaal netwerk en beschikbare medische- en overheidsfaciliteiten waren van grote invloed op KvL. Patiënten vonden dat alle gerapporteerde gevolgen werden ondervangen door de WHOQOL-BREF. Kwaliteit van de geleverde zorg was van invloed op de ervaren KvL, adequate nazorg ontbrak veelal volgens patiënten.

Conclusie

De gevolgen van een ongeval beïnvloeden de KvL op verschillende gezondheidsdomeinen. De WHOQOL-BREF laat een goede face validiteit zien. Het ontbreken van passende nazorg was van negatieve invloed op de ervaren KvL.

Implicatie voor fysiotherapie

Ongevalsslachtoffers komen vaak in contact met een fysiotherapeut wanneer ze zich in een belangrijke fase van het herstel bevinden. In deze periode zijn patiënten vaak onzeker en maken ze zich zorgen over hun toekomst. De fysiotherapeut kan een belangrijke rol spelen door patiënten adequaat te informeren over het te verwachten herstel.

Lees verder
Nena Kruithof
Factoren geassocieerd met sedentair gedrag en patronen van zittijd accumulatie na beroerte. Een data modelling studie

Achtergrond

Na een Cerebrovasculair Accident (CVA)  heeft men een grotere kans op een nieuw CVA. Hoge maten van sedentair gedrag vergroot het risico op een CVA.

Vraagstelling

Het identificeren van zowel factoren die geassocieerd zijn met hoge maten van sedentair gedrag en lang aaneengesloten zitten, als de patronen waarin thuiswonende mensen na een CVA zitten.

Methode

Door systematische zoeken zijn de gepubliceerde en lopende onderzoeken die objectief sedentaire tijd meten bij thuiswonende mensen na een CVA geïdentificeerd en de auteurs benaderd om data beschikbaar te stellen. Algoritmes zijn gebruikt om de slaap-waak tijd te identificeren en om vast te stellen welk percentage van de waak tijd sedentair werd doorgebracht. De data sets werden geconverteerd tot een dataset voor de analyses. Multivariabelen regressies (met correctie voor leeftijd, geslacht en studie) zijn gebruikt om vast te stellen welke factoren geassocieerd waren met sedentair gedrag en lang aaneengesloten zitten. Patronen in het verzamelen van sedentair gedrag zijn vast gesteld met t-testen.

Resultaten

In totaal hadden 274 participanten minimaal drie dagen met valide data (>10 uur slaap-waak tijd). Participanten brachten 69.0% (SD 12.4) van hun waaktijd sedentair door en 39.8% (SD 15.7) van deze tijd in aaneengesloten periodes van ≥30 minuten. Multivariabele regressies laten zien dat loopsnelheid (p=0,001) significant geassocieerd was met sedentair gedrag tijdens waaktijd. Loopsnelheid  was significant geassocieerd met >30 en >60 minuten aaneengesloten zitten (p=0.001 en p=0.004, respectievelijk), BMI (0.049) was alleen geassocieerd met >60 minuten. De regressie modellen van alle drie de uitkomstmaten verklaren 11-18% van de variantie. Er was sprake van een significant verschil tussen participanten met een hoge dan wel lage maten sedentair gedrag, in de hoeveelheid sedentair gedrag verzameld door aaneengesloten zitten.

Conclusie

Loopsnelheid is significant geassocieerd met een hoge mate van sedentair gedrag en lang aaneengesloten zitten. Een groot deel van de variantie kan echter niet verklaard worden door de demografische en CVA gerelateerde factoren. Er is dan ook onderzoek nodig naar de invloed van andere factoren, zoals omgeving en beweeggedrag.

Implicatie voor fysiotherapie  

Er is vervolg onderzoek nodig om na te gaan of het verbeteren van de loopsnelheid leidt tot een reductie van sedentair gedrag na een CVA.  Daarnaast zijn er mogelijk gedragsveranderingsinterventies nodig voor het reduceren van sedentair gedrag bij mensen na een CVA.

Lees verder
Wendy Hendrickx
Functioneel herstel na longkanker chirurgie: een observationeel cohort onderzoek

Achtergrond

Long-kanker is een belangrijk probleem wereldwijd en een operatie biedt de beste kans op genezing. Er is weinig onderzoek gedaan naar het beloop van fysiek herstel na long-kanker chirurgie. Bovendien is de invloed van postoperatieve complicaties en van de mate van vroeg-mobilisatie op fysieke fitheid in de directe postoperatieve periode niet bekend.

Onderzoeksvragen

  1. Wat is het beloop van fysiek functioneren tot 6 weken na longkanker chirurgie?
  2. Is de mate van vroege mobilisatie geassocieerd met een betere fysieke fitheid bij ontslag?
  3. Heeft een betere fitheid in de directe postoperatieve periode een relatie met een beter functioneel herstel zes weken postoperatief?

Methode

Deze prospectieve observationele cohortstudie had drie meetmomenten: preoperatief (T0), één dag voor ontslag uit het ziekenhuis (T1) en zes weken na de operatie (T2). De fitheid werd gemeten met een knijpkracht-test (JAMAR hand held dynamometer), een 30-seconden sit-to-stand-test (STS) en een zes-minuten wandel test (6MWT). Fysiek functioneren werd gemeten met de Medical Outcome Study (MOS) Short-Form-36 (SF-36) subschaal fysiek functioneren. Naleving van het vroeg-mobilisatieprotocol werd berekend op basis van verpleegkundige en fysiotherapeutische rapportage en uitgedrukt in een percentage. Postoperatieve complicaties werden gescoord volgens het Clavien-Dindo classificatiesysteem. Secundaire uitkomstmaten waren pijn en kwaliteit van het leven. Met Lineaire regressieanalyses werden de relaties tussen determinanten en uitkomsten geschat, rekening houdend met potentiële confounders.

Resultaten

Er zijn in totaal 42 patiënten geïncludeerd. Op alle uitkomsten scoorden patiënten op T1 en T2 lager dan op T0. Meer mobilisatie in het ziekenhuis was significant gerelateerd aan minder afname in 6MWT (B=2,88 (95% CI = 0,77; 5,00)), STS (B=0,08 (95% CI = 0,008; 0,15)) en knijpkracht (B=0,15 (95% CI = 0,01; 0,29)). Minder perioperatieve afname in knijpkracht was significant gerelateerd aan beter fysiek functioneren 6 weken na de operatie (B = 1,28 (95% CI = 0,30; 2,26)).

Conclusie

Patiënten met longkanker die operatief behandeld zijn, zijn 6 weken postoperatief nog niet terug op hun preoperatieve niveau van fysiek functioneren. Betere naleving van het mobilisatieprotocol is geassocieerd met een betere fitheid bij ontslag wat vervolgens geassocieerd is met een beter fysiek functioneren 6 weken na de operatie.

Implicatie voor fysiotherapie

Deze resultaten onderstrepen het belang van vroeg-mobilisatie na een operatie in verband met longkanker. Vervolgonderzoek zal moeten uitwijzen wanneer verwacht kan worden dat patiënten terug zijn op hun preoperatieve niveau van functioneren. Voor patiënten met een vertraagd herstel is revalidatiebehandeling mogelijk geïndiceerd

Lees verder
Chloé Balland
Functionele beperkingen bij vrouwen met gemetastaseerde mammacarcinoom. ‘Een scoping review naar geschikte meetinstrumenten’

Achtergrond

Omdat er weinig bekend is in de wetenschappelijke literatuur over training bij vrouwen met gemetastaseerde mammacarcinoom wordt de behandeling op dit moment vooral gebaseerd op best practice, terwijl de huidige ontwikkelingen binnen de fysiotherapie vragen om evidence based handelen. Ook op het gebied van het gebruik van meetinstrumenten in deze fase van de ziekte is nog weinig beschreven.

Vraagstelling

Welke beperkingen in activiteiten en participatie ervaren vrouwen met gemetastaseerde mammacarcinoom? Hoe kunnen de onderliggende fysieke functies het best meetbaar gemaakt worden met behulp van meetinstrumenten?

Methode

Het verzamelen van gegevens over de beperkingen in activiteiten en participatie door middel van surveyonderzoek onder vrouwen met gemetastaseerd mammacarcinoom. Literatuuronderzoek door middel van een scoping review naar geschikte meetinstrumenten bij deze beperkingen en de klinimetrische eigenschappen van die meetinstrumenten.

Resultaten

De tien meest gescoorde beperkingen door 114 respondenten met een gemetastaseerd mammacarcinoom zijn hardlopen, lang achtereen staan, tillen, sporten, uitvoeren van huishoudelijk werk, lang achtereen zitten, iets oprapen van de grond, in/uit de auto stappen en omdraaien in bed. Uit het uitgevoerde literatuuronderzoek blijkt dat deze beperkingen in activiteiten het beste meetbaar te maken zijn met de volgende meetinstrumenten: Timed Up and Go, Fullerton Advanced Balance Scale, Shuttle Walk Test, 2 Minuten Wandel Test, 6 Minuten Wandel Test, 5 Times Sit To Stand, Short Physical Performance Battery, Hand Held Dynamometer, Handknijpkrachtmeter, 1 Repetition Maximum, Cardio Pulmonary Exercise Test.

Conclusie

Er zijn een aantal meetinstrumenten met bekende klinimetrische eigenschappen in de populatie met mammacarcinoom. Echter, van veel meetinstrumenten zijn deze gegevens niet bekend. Vanwege de opzet van dit onderzoek lijken de resultaten een goed uitgangspunt voor de werksituatie van de oncologiefysiotherapeut, het vereist echter nog wel implementatie in de werkwijze van de beroepsgroep.

Implicatie voor fysiotherapie

Het product kan worden gezien als een raamwerk en uitgangspunt voor het selecteren van geschikte meetinstrumenten bij vrouwen met gemetastaseerde mammacarcinoom

Lees verder
Rachel Verbeek
Functioneren na patellofemorale prothese. Een prospectieve cohort studie.

Achtergrond

Patiënten met knieklachten door ernstige geïsoleerde patellofemorale arthrose komen, als conservatieve therapie en/of eerdere chirurgische interventie onvoldoende effectief blijkt, in aanmerking voor een patello-femorale prothese (PFP). Doordat de eerste generatie PFP een hoog revisiepercentage kende is een tweede generatie PFP ontworpen. Ook in het St. Anna ziekenhuis wordt een tweede generatie PFP (iBalance, Arthrex GmbH) toegepast voor deze indicatie. Echter, het is nog niet bekend hoe patiënten postoperatief functioneren.

Vraagstelling

Primair: “Hoe functioneren patiënten met een iBalance PFP 1 jaar post-operatief gemeten middels patient-reported outcome measures (PROMs)?” Secundair: wat zijn de complicaties (<1 jaar) bij patiënten met een PFP?

Methode

Prospectieve cohort studie van januari 2014 tot april 2017 van alle opeenvolgende patiënten die een PFP geplaatst kregen. Preoperatieve demografische gegevens en PROMS (pre-operatief, 3, 6 en 12 maanden) werden verzameld. PROMS: pijn in rust en tijdens activiteit (Visual Analogue Scale (VAS), 0 (geen pijn)-100 (maximale pijn)); Functioneren (Oxford Knee Score (OKS), 0 (slechtste score)-48 (beste score)); Kwaliteit van leven (EuroQol (EQ-5D) thermometer van 0 (slechtste score)-100 (beste score)). Peri- en post-operatieve complicaties en revisies werden bijgehouden. Alle patiënten kregen standaard verwijzing voor fysiotherapeutische behandeling.

Resultaten

Van de 1409 knieprotheses waren er 24 patellofemoraal (1.7%). Dit waren overwegend vrouwelijke patiënten (20 vrouwen versus 4 mannen, gemiddelde leeftijd: 56 jaar). Pijnscores één jaar postoperatief waren significant verbeterd ten opzichte van preoperatief, zowel in rust (52.9 versus 16.8, p = 0.005) als tijdens activiteit (70.2 versus 20.3, p < 0.001), evenals functiescores (OKS: 21.8 versus 37.0, p < 0.001) en kwaliteit van leven (44.1 versus 73.7, p < 0.001). Vier revisie operaties waren nodig: 1x plaatsing patellabutton en 2x revisie naar totale knieprothese vanwege aanhoudende klachten, 1x revisie patella button gecombineerd met tuberositas osteotomie vanwege patella instabiliteit.

Conclusie

Het relatieve en absolute aantal patiënten met een PFP is zeer gering, waardoor de fysiotherapeut maar incidenteel met deze postoperatieve hulpvraag wordt geconfronteerd. Pijn, functioneren en kwaliteit van leven kunnen sterk verbeteren maar het percentage patiënten met aanhoudende klachten is hoog, ondanks dat alle patiënten fysiotherapeutisch werden behandeld. Mogelijk moet de patiëntenselectie voor deze ingreep nog worden aangescherpt.

Implicatie fysiotherapie

Ervaring opdoen met de fysiotherapeutische behandeling van patiënten die een patellofemorale prothese hebben gekregen is moeilijk. Bij tegenvallende resultaten is het niet duidelijk of  aangepaste fysiotherapeutische behandeling dit kan voorkomen. Meer onderzoek naar de optimale fysiotherapeutische behandeling van deze kleine patiëntengroep is nodig.

Lees verder
Anke Kornuijt
Godivapp toegepast binnen de eerstelijns praktijk van de (kinder)fysiotherapeut (Goapp)

Achtergrond

Binnen de GODIVA onderzoeksgroep is een home-video-methode ontwikkeld om de grofmotorische ontwikkeling van jonge kinderen tussen 0 en 19 maanden te kunnen monitoren middels de Alberta Infant Motor Scale (AIMS). Vanuit de deelnemende kinderfysiotherapeutische praktijken is er behoefte aan een gebruiksvriendelijke applicatie om de video’s veilig te kunnen uitwisselen en opslaan en interesse in deze home-video- methode. Het Goapp heeft als doel het optimaliseren van de Godivapp, zodat het toegepast kan worden binnen de eerstelijns praktijk van kinderfysiotherapeuten. Vijf domeinen, de eindgebruikers, de gezondheidszorg, de ICT, co-design en economie& management, zijn bij elkaar gebracht om de ontwikkeling en implementatie van deze eHealth applicatie te laten slagen. In deze eerste fase van het Goapp-project wordt er een context-analyse uitgevoerd onder de beoogde eindgebruikers.

Vraagstelling

Welke meerwaarde zien kinderfysiotherapeuten in een Ehealth applicatie voor uitwisseling van home-video’s binnen de dagelijkse praktijk?

Methode

Voor de contextanalyse wordt gebruik gemaakt van kwalitatief onderzoek; focusgroep bijeenkomst van 8 kinderfysiotherapeuten uit het onderzoeksconsortium. Thematische analyse wordt gedaan middels open coderen, via axiaal coderen naar selectieve codering.

Resultaten

De meerwaarde wordt gezien door de kinderfysiotherapeuten in de formalisatie van gebruik van digitale middelen, het vergroten van efficiëntie van zorg, een veilige mogelijkheid tot veilig versturen van home-video’s, verhoging van ouderparticipatie en inzicht in de functionele context kind. De applicatie kan gegevens koppelen en grafisch verwerken. De home-videomethode kan op diverse wijzen worden ingezet en kan daarmee een aanvulling zijn op de huidige zorgvorm. De meerwaarde kan pas gezien worden als de applicatie werkt op verschillende apparaten, deze veilig is binnen de huidige privacy wetgeving en er een vergoedingsstructuur is.

Conclusie

Het GoAPP-project sluit aan bij de behoeften van de kinderfysiotherapeuten, er wordt een duidelijke meerwaarde gezien in het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden en er liggen binnen het project duidelijke aandachtspunten voor het ontwerp, het programmeren en het implementeren ervan.

Implicatie voor fysiotherapie

Deze uitkomsten van de kinderfysiotherapeuten moeten  gecombineerd worden met de gegevens van de andere eindgebruikers (ouders), en deze gegevens kunnen dan verwerkt worden in een eerste prototype die met eindgebruikers verder geoptimaliseerd gaat worden. Het gebruik van applicaties als extra mogelijkheid binnen de kinderfysiotherapeutische praktijken is een vervolgvraagstuk en komt in de laatste fase van het project aan de orde.  Naast gebruik door kinderfysiotherapeuten zijn vele toepassingsmogelijkheden te bedenken voor fysiotherapeuten en andere zorgprofessionals, waarbij het beoordelen van bewegende beelden aan de orde is. Het veilig versturen van videomateriaal en berichten binnen huidige wet- en regelgeving is binnen deze applicatie gewaarborgd

Lees verder
Petra Nijmolen
Het directe effect van een zachte brace op knie instabiliteit bij patiënten met knieartrose.

Achtergrond

Knie instabiliteit wordt gerapporteerd door een meerderheid (> 60%) van de patiënten met knieartrose en is geassocieerd met beperkingen in het dagelijks leven. Om  knie instabiliteit te verminderen worden verschillende interventies toegepast met inbegrip van het dragen van een zachte knie brace. Zo ver bekend bestaat er geen bewijs dat een zachte brace de stabiliteit van de knie verbetert bij patiënten met knieartrose.

Vraagstelling

Is een zachte brace effectief in het verbeteren van knie stabiliteit, en is er een verschil in effect op knie instabiliteit door een niet-strakke versus een strakke brace bij patiënten met knieartrose?

Methode

31 patiënten met knieartrose hebben deelgenomen aan een experimentele studie in een loop laboratorium. Een within-subject design werd gebruikt om patiënten met zichzelf te vergelijken, waarbij het dragen van een zachte brace versus geen zachte brace werd vergeleken en een niet-strakke versus een strakke brace. De primaire uitkomstmaat was knie instabiliteit, uitgedrukt door de “Perturbation Response” (PR). De PR is een op mechanica gebaseerde maat, die de afwijking van de gemiddelde varus-valgus kniehoek representeert na een gecontroleerde mechanische verstoring. Een linear mixed-effect model analyse werd gebruikt om het effect van een brace op knie instabiliteit te evalueren.

Resultaten

Het dragen van een brace verminderde de PR aanzienlijk, vergeleken met het niet dragen van een brace (B -0.10, P = 0.008). Er was geen verschil tussen een niet-strakke en een strakke brace (B -0.03, P = 0.59). De gemiddelde varus-valgus hoek tijdens de standfase van de gangcyclus varieerde tussen de 0,76° en 0,52° door een mechanische verstoring tijdens het lopen op de loopband wanneer een brace niet werd gedragen en wanneer deze wel werd gedragen.

Conclusie

Deze studie is de eerste die rapporteert dat het dragen van een zachte brace de knie-instabiliteit, uitgedrukt door de PR, tijdens de standfase van de gangcyclus bij patiënten met knieartrose vermindert. Er was geen verschil in effect op knie instabiliteit tussen een strakke en een niet strakke brace.

Implicatie voor fysiotherapie

Patiënten met knieartrose dragen vaak een zachte brace, veelal op eigen initiatief of op advies van de fysiotherapeut. Inzicht in de effecten van een zachte brace dragen bij aan de onderbouwing van adviezen door de fysiotherapeut

Lees verder
Martin van der Esch
Het verband tussen ziekteperceptie en participatiebeperkingen bij patiënten met chronische musculoskeletale pijn: een longitudinaal retrospectief explorerend onderzoek.

Achtergrond

Bij patiënten met chronische musculoskeletale pijn (CMP) is maladaptieve ziekteperceptie geassocieerd met ongewenst gezondheidsgedrag. Dit kan leiden tot de ontwikkeling van percepties met als doel de gezondheidsbedreigende prikkel te ontwijken. Beperkte sociale participatie wordt dan ook geassocieerd met een verminderde kwaliteit van leven. Ondanks dat behandeldoelen in de poliklinische revalidatie vaak worden opgesteld op het participatieniveau, is tot op heden niet onderzocht welke ziekteperceptie domeinen een verband hebben met de participatiebeperkingen bij patiënten met CMP.

Doel

Het analyseren van de correlatie tussen ziektepercepties en participatiebeperkingen bij patiënten met CMP tijdens een 16 weekse multidisciplinair revalidatieprogramma in een poliklinisch revalidatiecentrum, aan de hand van een longitudinaal retrospectief explorerend onderzoek.

Vraagstelling

‘Wat is het verband tussen de ziekteperceptie domeinen en de participatiebeperkingen bij patiënten met chronische musculoskeletale pijn tijdens het volgen van een multidisciplinair revalidatieprogramma met 6 maanden follow-up?’

Methode

Populatie: Patiënten met CMP (N=85), 70.6% vrouw, leeftijd 21 tot 67 jaar.

 

Inclusiecriteria: leeftijd > 18 jaar; chronische musculoskeletale pijn, met een duur van de symptomen > 3 maanden; onvoldoende resultaat in de eerstelijns fysiotherapie; verwijzing door de huisarts, medisch specialist of bedrijfsarts.

 

Exclusiecriteria: niet in staat de Nederlandse taal te begrijpen of Nederlands te spreken, ernstige onderliggende pathologie of recent trauma.

 

Onafhankelijke variabelen: 8 dimensies ziekteperceptie, pijnsensatie, geslacht, leeftijd en opleiding.

 

Afhankelijke variabele: Beperkingenschaal.

 

Meetinstrumenten: Illness Perception Questionnaire – Verkort (IPQ-K), Utrechtse Schaal voor Evaluatie van Revalidatie – Participatie (USER-P) en Visueel Analoge Schaal (VAS).

 

Meetmomenten: Baseline (T0), 3 maanden (T1) en 6 maanden follow-up (T2).

 

Statistische analyse: Friedman’s ANOVA, Wilcoxon sign-rank test (gecorrigeerd met de bonferroni-correctie p≤.05/3) en multipele regressie analyse met Forward selectie (p<0.10).

Zwakke correlaties (Spearman’s rho) zijn gevonden bij T0 tussen de ziekteperceptie domeinen (Consequentie, Identiteit en Emotionele gevolgen) en de Beperkingenschaal (r<-.28). Bij T1 en T2 correleren de domeinen (Consequentie, Persoonlijke controle, Behandelcontrole, Identiteit, Bezorgdheid en Emotionele gevolgen) zwak tot matig met de Beperkingenschaal. Sterkste correlaties werden gevonden voor Identiteit (T1 r=-.65) en Consequentie (T2 r=-.67).

Tijdens T1 verklaarde de Consequentie ongeveer 33% van de variantie binnen de Beperkingenschaal en tijdens T2 verklaarde Consequentie en Bezorgdheid de variantie met 49%.

Conclusie/Implicatie voor fysiotherapie

Er zijn aanwijzingen dat maladaptieve/adaptieve ziekteperceptie een zwak tot matig verband heeft met meer/minder participatiebeperkingen. Overwegen van ziekteperceptie als onderdeel van een revalidatieprogramma zou een aanbeveling kunnen zijn. Verder onderzoek naar het verband tussen ziekteperceptie en álle drie de subschalen (Frequentie-, Beperkingen- en Tevredenheidschaal) van de USER-P wordt aanbevolen om betere uitspraken te kunnen doen over het participatieniveau bij patiënten met CMP.

Lees verder
Arno Vriezekolk
Heupfracturen bij ouderen: trajecten van beperkingen na operatie

Achtergrond
Heupfracturen bij ouderen leiden vaak tot permanente beperkingen en kan
overlijden tot gevolg hebben. Dit onderzoek gaat in op de vraag of het
mogelijk is om verschillende trajecten van beperkingen te identificeren bij
ouderen die na een heupfractuur acuut zijn opgenomen in het Academisch
Centrum in Amsterdam.

Vraagstelling
Zijn er verschillende trajecten van beperkingen te identificeren bij ouderen tot
1 jaar na operatie van een heupfractuur?

Methode
De primaire uitkomstmaat van dit onderzoek was het aantal beperkingen
gemeten met de Katz ADL-index score. Secundair is gekeken naar overlijden.
Latent class growth analysis was toegepast om de verschillende trajecten van
beperkingen te identificeren bij opname. Daarnaast was Cox regression
gebruikt om te analyseren wat het effect van overlijden was.

Resultaten
De gemiddelde leeftijd (standaarddeviatie) van de patiënten was 84.0 (6.9). In
de analyse waren 3 trajecten geïdentificeerd op basis van de Katz ADL-index
score van opname tot 1 jaar na ontslag: ‘milde’ (n-54 (20,2%)), ‘gemiddelde’
(n=110 (41.2%)) en ‘ernstige’ beperkingen (n=103 (38.6%)). Patiënten in alle 3
de trajecten laten een stijging zien in beperkingen van opname tot 3 maanden
na ontslag. Na 1 jaar heeft 80% van de patiënten nog steeds beperkingen
binnen deze populatie

Conclusie
3 verschillende trajecten waren geïdentificeerd van opname in het ziekenhuis
tot 1 jaar bij acuut opgenomen ouderen patiënten na een heupfractuur. De
meeste patiënten hadden een substantiële achteruitgang en 27% van de
patiënten was overleden na 1 jaar vooral in de ‘gemiddelde’ en ‘ernstige’
trajecten van beperkingen.

Implicatie voor fysiotherapie
Het herkennen van verschillende trajecten van herstel is relevant bij het
bepalen van een indicatie voor fysiotherapie. Op het moment dat we in staat
zijn om patiënten vroegtijdig te identificeren op het risico van functieverlies is
een interventie, in nauwe samenwerking met andere disciplines, op het juiste
moment in te zetten. De fysiotherapie moet een rol gaan spelen in het
identificeren van beperkingen in het functioneren in het ziekenhuis in de
transitie naar de thuissituatie als specialist in bewegen.

Lees verder
Jesse Aarden
Hip fractures in older patients: Trajectories of disability after surgery

Background

  • Hip fracture in elderly is in approximately
    30% of the patients a fatal event and many
    of those who survive, experience
    permanent disabilities.
  • One year after hip surgery 29-50% of
    elderly do not reach pre-fracture levels of
    physical functioning1,2,3.

Purpose

  • The aim of the present study is to identify
    trajectories of physical functioning over
    one year post-discharge in elderly after hip
    fracture.

Methods

  • Patients were eligible to participate if they
    were ≥ 65 years of age and acutely
    admitted with a hip fracture.
  • Patients were excluded if 1) no informed
    consent was given 2) the physician
    indicated that the patient was too ill, 3)
    transfer to the intensive/coronary care was
    indicated or 4) inability to speak /
    understand Dutch language.

Measurements

  • Longitudinal study with measurements at
    baseline, 3 and 12 months.
  • Physical function – Katz questionnaire.
    Cognition – MMSE.
  • Comorbidity – Charlson index.
  • Descriptives: patient characteristics.
  • Statistical analysis: Latent Class Growth
    Analysis (LCGA) to identify trajectories.

Results

  • 267 patients with mean (SD) age 84 (6.9).
  • 27% died within one-year post-discharge.
  • LCGA identified three trajectories (figure)
    based on modified Katz questionnaire.
  • Katz scores increased from baseline to 3
    months in all trajectories (meaning
    increased physical functioning).
  • Katz scores were stable from 3 to 12
    months in the moderate and severe
    trajectories (meaning no change in
    physical functioning).

Conclusions

  • One year post-discharge after hip
    fracture a majority of elderly do not
    return to the pre-operative physical
    functioning status.
  • Three trajectories in physical
    functioning are identified and elderly
    with ‘mild’ disability return to admission
    in physical functioning values, whereas
    frail elderly with ‘moderate’ and ‘severe’
    disability deteriorate over time.
  • Elderly patients of the three trajectories
    may need tailored care, especially in
    the moderate and severe trajectories.
Lees verder
Jesse Aarden
Is er een verschil in uitkomstmaten tijdens de toepassing van passieve manuele cranium technieken bij patiënten met cervicale en/of kaakklachten en een controle groep? Een exploratieve studie.

Achtergrond

Passieve manuele cranium technieken worden in de fysiotherapie als middel voor onderzoek en behandeling gebruikt bij patiënten met klachten in de regio van het hoofd en de nek. Klinisch hebben deze technieken hun nut bewezen maar tot op heden zijn er geen wetenschappelijke bewijzen voor deze technieken gevonden.

Vraagstelling

Het doel van deze studie was het vaststellen van verschillen tussen een groep proefpersonen met cervicale- en/of temporomandibulaire dysfuncties (TMD) en een gezonde groep bij de toepassing van passieve manuele cranium technieken. Daarnaast werd de interrater betrouwbaarheid bepaald van de twee onderzoekers.

Methode

Er werd een cross-sectional studie met 60 proefpersonen gedaan. Een groep met cervicale klachten en/of TMD werden met gezonde proefpersonen vergeleken. De aanwezigheid/afwezigheid van nek- en/of kaakklachten werd met de Neck-Disability-Index (NDI), de nederlandse Central Sensitization Inventory (dutch-CSI), de TMD-pain screener en een kort objectief onderzoek met meerdere specifieke testen onderzocht. Zes gestandaardiseerde passieve cranium technieken werden onderzocht en beoordeeld op weerstand, compliance en het sensorische antwoord. Om de interrater betrouwbaarheid van deze technieken te bepalen werd een cohort van proefpersonen tweemaal (door twee onderzoekers) beoordeeld.

Resultaten

Met logistische regressie werd bepaald dat er een significant verschil was (p≤ 0,20)voor 5 technieken voor weerstand en/of compliance en/of het sensorische antwoord. De temporale techniek was hierbij het meest significant (voor weerstand p=0.002, voor compliance p=0.001). Wanneer de significante waardes in een ROC-curve gevoegd werden toonde ook de temporale technieken redelijk tot goede resultaten voor het discriminerende vermogen (voor weerstand AUC=0.7775, voor compliance AUC= 0.8065). De hoogste waardes voor de interrater betrouwbaarheid werden gevonden voor de beoordeling van de weerstand tijdens occipitale compressie (73%) en voor de occiput/frontale compressie (rechtlijnig en diagonaal van occiput rechts naar frontaal links) (67%)

Conclusie

Er is een samenhang vastgesteld tussen enkele passieve manuele cranium technieken bij een groep met cervicale/kaakklachten. Daarnaast werd er ook een acceptabele overeenstemming voor enkele technieken gevonden worden.

Implicatie voor fysiotherapie

Deze technieken lieten tevens een goede intra-rater betrouwbaarheid zien en zijn daardoor zeer geschikt voor een herbeoordeling tijdens de behandeling. Het is belangrijk om ook het sensorische antwoord dat de patiënt geeft hierbij te betrekken. Hoewel niet alle technieken statistisch significant waren kunnen deze technieken toch zeer waardevol zijn bij de beoordeling van het probleem van de patiënt. Clustering van testen is dan ook zinvol. Voor TMD is het belangrijk de techniek van rotatie van het os temporale mee te nemen in onderzoek en behandeling.

Lees verder
Miranda Hanskamp
Kwaliteit van bewegen bij patiënten met aspecifieke lage rugpijn: een inventarisatie in de praktijk.

Achtergrond

Observeren van de Kwaliteit van Bewegen (KvB) van alledaagse activiteiten is een essentieel onderdeel binnen het fysio- en oefentherapeutisch handelen bij patiënten met aspecifieke lage rugpijn (ALRP). De observatie van KvB is niet gestandaardiseerd. Hierdoor is het onbekend hoe eerstelijns fysio- en oefentherapeuten (FTn-OTn) KvB analyseren, interpreteren en evalueren.

Vraagstelling

1) Hoe wordt KvB bij patiënten met ALRP door FTn-OTn beschreven, geobserveerd en toegepast in het methodisch handelen? en 2) hebben FTn-OTn behoefte om KvB bij patiënten met ALRP te meten?

Methode

De digitale enquêtestudie bestond uit 2 open en 3 gesloten vragen. De antwoorden van FTn-OTn op de eerste en tweede open vraag werden met respectievelijk de ICF linking rules (International Classification of Functioning, Disability and Health) en met een kwalitatieve inhoudsanalyse geanalyseerd. De antwoorden op de gesloten vragen werden kwantitatief geanalyseerd.

Resultaten

Kwalitatieve analyse:

FT-OT beschreven in open tekst en met drie kernwoorden wat zij onder KvB verstaan. Door het toepassen van de ICF linking rules werden in de beschrijvingen (n=91) en kernwoorden (n=90) respectievelijk 274 en 239 betekenisvolle concepten geïdentificeerd. De concepten werden gelinkt aan 31 ICF-codes (respectievelijk 87,5% en 80,3%), persoonlijke factoren (5,8% en 5,9%) en aanvullende codes (6,6% en 13,8%). De meeste concepten werden gekoppeld aan code b760 ‘Controle van willekeurige bewegingen’ en d4 ‘Mobiliteit’. Negatief en positief geformuleerde beschrijvingen maakten verschillen in interpretaties van FT-OT zichtbaar.

De kwalitatieve inhoudsanalyse maakte duidelijk dat FTn-OTn (n=114) de observatie van KvB richten op 1) het beweegpatroon, 2) motorische controle, 3) omgevingsaspecten, en 4) non-verbale expressies van pijn en inspanning. FTn-OTn hanteren verschillende bewoordingen en interpretaties van de observatie van KvB.

Kwantitatieve analyse:

Uit de kwantitatieve analyses (n=114) bleek dat FTn-OTn KvB in de diagnostische (92%) en therapeutische (91%) fasen en bij de evaluatie van de interventie (86%) op een impliciete wijze observeren. FTn-OTn (63%) vinden het belangrijk om KvB bij patiënten met ALRP te gaan meten. Zij verschillen van inzicht over toepassing van het meten van KvB voor het klinisch redeneren en kwaliteit van de zorg.

Conclusie

Uit deze praktijkinventarisatie blijkt dat FTn-OTn KvB centraal stellen binnen het methodisch handelen voor patiënten met ALRP.

Implicaties voor fysio – en oefentherapie

Gezien de diversiteit in de interpretaties van KvB en de motivaties om KvB te gaan meten moet vooraf aan de standaardisatie een theoretisch kader worden ontwikkeld om te bepalen welke waarneembare en meetbare aspecten van KvB het meest geldig zijn en relevant voor patiënten met ALRP

Lees verder
Margriet van Dijk
Meet de VitalPatch betrouwbaar en valide binnen de klinische setting?

Achtergrond:

Patiënten in het ziekenhuis herstellen sneller en beter wanneer zij tijdens hun ziekenhuisopname meer bewegen. Meer beweging leidt tot o.a. een beter functieherstel, minder heropnames en minder complicaties. Het is daarom van groot belang om het beweeggedrag van de patiënt in het ziekenhuis objectief te kunnen monitoren. Hiervoor is een betrouwbaar, valide en makkelijk hanteerbaar meetinstrument nodig. De VitalPatch is een meetinstrument, verwerkt in een pleister, waarin sensoren zijn geïntegreerd die houding -en beweeggedrag registeren. Alhoewel de VitalPatch is gevalideerd in een proefopstelling, is de betrouwbaarheid en validiteit binnen de klinische setting onduidelijk. In dit onderzoek werd de betrouwbaarheid en de constructvaliditeit van de VitalPatch bepaald binnen de klinische setting.

Vraagstelling:

Wat is de betrouwbaarheid en de constructvaliditeit van de VitalPatch binnen de klinische setting?

Methode:

32 gezonde proefpersonen (18-30 jaar) werden geïncludeerd voor deze studie. De VitalPatch werd geplaatst op de borst, waarna achtereenvolgens de betrouwbaarheid en de constructvaliditeit werd bepaald voor het houding -en beweeggedrag. Metingen vonden plaats in een ruimte ter grootte van een patiëntenkamer, waarin een bed, tafel met stoel en leesmateriaal was geplaatst. Voor het meten van de betrouwbaarheid werd een gestandaardiseerd protocol gekozen, waarin op vaststaande momenten werd gewisseld van houding en/of activiteit. De constructvaliditeit van de VitalPatch werd  daarna volgens een niet-gestandaardiseerd protocol onderzocht. Hierbij mochten deelnemers gebruik maken van de gehele kamer, zonder dat daarbij een specifieke beweeginstructie gegeven werd. De betrouwbaarheid werd bepaald door de uitkomsten van de verschillende gestandaardiseerde metingen te berekenen met de intraclass correlatie coëfficiënt (ICC). De constructvaliditeit werd bepaald door de registratie van de VitalPatch te vergelijken met videomateriaal dat werd verzameld gedurende de meting, waarna de ICC werd berekend.

Resultaten:

De betrouwbaarheid was excellent voor ligduur (ICC = 0,97) en goed voor zitten/staan en lopen (ICC = 0,90; 0,85 resp.). De constructvaliditeit was goed voor liggen (ICC = 0,82) en matig tot gemiddeld voor zitten/staan, lopen en aantal stappen (ICC = 0,72; 0,41; 0,61 resp.).

Conclusie:

Betrouwbaarheids- en valideringsonderzoek gebeurt veelal binnen een setting die niet vergelijkbaar is met de klinische setting. Extrapolatie van de resultaten is daarom lastig.  Dit onderzoek laat zien dat de betrouwbaarheid van de VitalPatch is goed tot excellent is, maar de constructvaliditeit beduidend minder is wanneer er gekozen wordt voor een niet-gestandaardiseerd protocol in een klinische setting.

Implicatie voor fysiotherapie:

Onderzoek en ontwikkeling van meetinstrumenten moet zich meer toespitsen op de klinische setting waarin fysiotherapeuten werkzaam zijn.

Lees verder
Joost Seeger
Objectieve pijndrempelmetingen: de toekomst voor de fysiotherapie? – een onderzoek naar de invloed van de dominante zijde op de hoogte van de pijndrempel.

Achtergrond

Pijn is een lastig te meten, subjectief fenomeen. Pijn wordt vaak gemeten met subjectieve self-reported vragenlijsten. Een andere manier om pijn vast te leggen is het objectief meten van de pijndrempel (Pressure Pain Threshold, PPT) door middel van het uitoefenen van mechanische druk met behulp van een drukalgometer. De pijndrempel is het punt waarop een persoon voor het eerst pijn opmerkt. Het is een bruikbare en betrouwbare manier om op een objectieve wijze de PPT in kaart te brengen. Referentiewaarden van pijndrempels en de invloed van diverse variabelen hierop zijn nog vrij onbekend. Ook is nog onduidelijk of er binnen een individu verschillen kunnen zijn tussen de gevoeligheid.

Vraagstelling

Wat is de mate van variatie in de hoogte van pijndrempelwaarden op diverse locaties op het lichaam, gemeten met een drukalgometer, aan de dominante zijde ten opzichte van de niet-dominante zijde bij pijnvrije ouderen van 40 tot 85 jaar?”

Methode

Bij gezonde deelnemers (zonder pijn) in de leeftijd van 40 tot 85 jaar werden pijndrempels gemeten op drie locaties rond de knie, twee locaties op de arm en één op het voorhoofd. Metingen werden op elke locatie drie keer verricht, met een tussenpose van 30 seconden. Dit werd gedaan aan de dominante en niet-dominante zijde van het lichaam. Op elke locatie werd de gemiddelde pijndrempel van drie metingen berekend. Door middel van een ongepaarde t-toets werd per locatie de gemiddelde pijndrempel aan de dominante zijde vergeleken met de niet-dominante zijde..

Resultaten

De steekproef bestond uit 53 deelnemers, waarvan 23 mannen (gemiddelde leeftijd 64,3 jaar ±13,3) en 30 vrouwen (gemiddelde leeftijd 55,5 jaar
±9,4), waarvan vijf linkshandige deelnemers en één linksbenige deelnemer. Gemiddelde pijndrempels waren op alle zes locaties aan de dominante zijde niet significant hoger dan aan de niet-dominante zijde (p<0,05).

Conclusie

Er zijn geen significante verschillen in de hoogte van de pijndrempels aan de op dominante zijde ten opzichte van de niet-dominante zijde bij pijnvrije ouderen van 40 tot 85 jaar. Dit maakt het gebruik van pijndrempels eenvoudiger wanneer dit wordt toegepast in een klinische setting.

Implicatie voor de fysiotherapie

Pijndrempelmetingen kunnen in de praktijk gebruikt worden om pijn objectief te meten. Hierbij hoeft er geen rekening gehouden te worden met de dominante of niet-dominante zijde van de arm en het been.

Lees verder
Boukje van der Zee
Oefentherapie bij ouderen met sarcopenie; een systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse.
Lees verder
Lara Vlietstra
Predictors of physical functioning after primary uncemented Total Hip Arthroplasty.

Achtergrond

Een totale heup arthroplastiek (THA) is over het algemeen een zeer succesvolle ingreep. De meeste patiënten ervaren een reductie in pijn en verbetering in fysiek functioneren en kwaliteit van leven.1 Echter bereiken niet alle patiënten hetzelfde niveau van functioneren na een THA. Ongeveer 30% van de patiënten die een THA ondergaan geven aan beperkingen in functioneren te hebben 2 jaar na operatie.2 Het is onduidelijk welke factoren geassocieerd zijn met deze beperking in functioneren.3,4

Vraagstelling

Welke (in literatuur gevonden) variabelen zijn voorspellers voor het fysiek functioneren na een totale heupprothese, 1 jaar na operatie?

Methode

Stap 1: Literatuurstudie.

Vier databanken zijn systematisch doorzocht: Web of Science, CINAHL, EMBASE en PubMed. Artikelen zijn door 2 onderzoekers, onafhankelijk van elkaar, gescreend op relevantie. De kwaliteit van alle studies werd bepaald door middel van de GRADE criteria.5

Stap 2: Predictiemodel.

Op basis van bovenstaande literatuurstudie en andere recente literatuur 6, 7 zijn variabelen geselecteerd. De invloed van deze variabelen op functioneren na THA zijn getest in een database van een bestaande studie waarin twee typen heupprothesestelen voor ongecementeerde THA worden vergeleken.8

De volgende variabelen zijn getest: leeftijd, geslacht, body mass index (BMI), pulmonale- en cardiale comorbiditeit, de mate van heuparthrose, pijn in de aangedane heup, – de contra-laterale heup, – de knie en de rug, Hip disability and Osteoarthritis Outcome Score physical function short form (HOOS-PS) en mentale gezondheid (SF-12 MCS). Alle variabelen zijn pre-operatief gemeten. Door middel van regressie analyse met een backward selectie methode, is een predictiemodel gemaakt. De uitkomstmaat is fysiek functioneren 1 jaar na operatie, gemeten met de HOOS-PS.

Resultaten

Literatuurstudie:

Uit onze eigen literatuurstudie kwamen BMI, leeftijd, pumonale- en cardiale comorbiditeit, pre-operatief fysiek functioneren en mentale gezondheid naar voren als voorspellers. Uit overige literatuur kwamen geslacht, pre-operatieve pijn en mate van arthrose naar voren als voorspellers.

Predictiemodel:

De hierboven beschreven variabelen zijn in een predictiemodel getest. Hier zijn drie voorspellers uit naar voren gekomen: pulmonale comorbiditeit, pre-operatief fysiek functioneren en mentale gezondheid.

Conclusie

Op basis van zowel literatuur als het predictiemodel zijn pulmonale comorbiditeit, pre-operatief fysiek functioneren en mentale gezondheid geïdentificeerd als voorspellers voor het fysiek functioneren, 1 jaar na een THA.

Implicatie voor fysiotherapie

Dit predictiemodel kan worden gebruikt om patiënten met heuparthrose, die een THA overwegen, goed voor te lichten ten aanzien van het fysiek functioneren na een THA.

Lees verder
Loes van Beers
Prognostische modellen voor het herstel van aspecifieke nekpijn: een systematische review
Lees verder
Roel Wingbermühle
Quality improvement project: Improving the Amount of Active Physiotherapy in Patients with Neurological and Neurosurgical Admission Diagnosis on the Intensive Care Unit

Objective
Early activation and mobilization have become an important part of physiotherapy treatment strategies of critically ill patients. In 2015, the Evidence Statement (ES) for physiotherapy in the Intensive Care Unit (ICU) has been published, providing recommendations on treatments along with a set of safety criteria to determine patients’ safety by screening on red flags and contra indications before and during activation or mobilization. In patients with neurological and neurosurgical (NEU/NEC) admission diagnosis on the ICU, adherence to the ES appeared to be low, with underuse of activation strategies like mobilization in the chair or using the bed-cycle-ergometer. The objective of this study was to improve the amount of active physiotherapy interventions in NEU/NEC patients in the ICU. We undertook a quality improvement project to raise awareness for mobilization in the chair and the use of the bed-cycle-ergometer according to the recommendations of the ES and to evaluate its effects on the ES adherence.

Design
A before-after evaluation, comparing retrospective collected data of applied physiotherapy treatment strategies in 172 physiotherapy sessions before (February-March 2016) and 108 physiotherapy sessions after the intervention (August-September 2016) at the Academic Medical Center, Amsterdam.

Intervention
We interviewed NEU/NEC specialized physiotherapists working on the ICU to explore perceived barriers towards implementation of the ES with respect to mobilization in the chair and the use of the bed-cycle-ergometer. We addressed the identified barriers with different strategies: (1) enhancing the knowledge of the ES, including the safety criteria for activation and mobilization, (2) enhancing the knowledge of the indication for and the skills to use the bed-cycle-ergometer, (3) removing organizational barriers by restructuring therapists responsibilities and (4) developing an additional protocol, based on the ES and targeting the special needs of patients with neurological and neurosurgical admission reason to the ICU.

Main outcome measures
The number of active physiotherapy interventions as indicated by the ES, in terms of mobilization in the chair or using the bed-cycle-ergometer, in patients with NEU/NEC admission reason on the ICU.

Results
After the intervention, the number of active physiotherapy interventions in patients without contra-indications for active physiotherapy according to the safety criteria, increased from 47% to 71% (P = 0.0). Adherence to the recommendation of the ES increased from 55% to 73% (P = 0.0). Mobilization in the chair increased from 32% to 50% (P = 0.0). The use of the bed-cycle-ergometer increased, but did not reach statistical significance (16% vs. 21%, P = 0.4).

Conclusion
Implementing interventions, targeted on the identified barriers of the interviewed physiotherapists, improved the adherence to the ES and increased the frequency of activation and mobilization of patients with NEU/NEC admission reasons on the ICU.

Key words:           ICU, early mobilization, neurological and neurosurgical admission diagnosis, physiotherapy, quality improvement

Implication for physiotherapy
Even in short time, targeted interventions can lead to change in clinical practice. There is still insufficient research covering the needs of critically ill NEU/NEC patients. Further research should aim on the translation of findings in medical surgical patients towards patients with NEU/NEC admission reasons to the ICU/MCU. Furthermore, studies with focus on (long-term) effects of activation and mobilization in terms of functional outcomes and recovery are desirable.

We believe that small studies like ours are important to pave the path for further research in this patient group, where so much more experience can be gained for therapists and so much more health status might be achievable for patients.

Lees verder
Daria Jaenicke
Spinale manuele therapie bij zuigelingen, kinderen en adolescenten: een systematische review en meta-analyse naar hulpvragen, behandeltechnieken en behandelresultaten.

Achtergrond

Over manuele therapie bij zuigelingen (<1 jaar), kinderen (1-12 jaar) en adolescenten (12-18 jaar) bestaat discussie ten aanzien van effectiviteit en veiligheid. Desondanks wordt manuele therapie wereldwijd veel toegepast door verschillende zorgprofessionals met verschillende achtergronden en opvattingen. Dit maakt het interpreteren van de literatuur betreffende effectiviteit en veiligheid complex. Een uitgebreide, alomvattende literatuurstudie ontbreekt.

Vraagstelling

Is spinale manuele therapie (SMT) bij zuigelingen, kinderen en adolescenten effectief en veilig? En voor welke hulpvragen wordt er behandeld en welke behandeltechnieken worden toegepast?

Methode

We doorzochten de elektronische databases PubMed, Index to Chiropractic Literature, Embase, Cinahl and Cochrane Library tot februari 2017.

Voor de vraag betreffende effectiviteit includeerden we gecontroleerde studies betreffende een primaire behandeling met SMT bij kinderen (0-18 jaar). Voor de vraag omtrent veiligheid includeerden we, naast de reeds geïncludeerde gecontroleerde studies, observationele/ beschrijvende studies en case reports die rapporteerden over bijwerkingen en negatieve effecten van SMT bij kinderen.

Studies werden gescreend op titel en abstract. Van geïncludeerde studies werd data geëxtraheerd en twee auteurs beoordeelden onafhankelijk van elkaar de methodologische kwaliteit. De kwaliteit van de evidentie werd beoordeeld met GRADE. Waar mogelijk werden studies gepoold middels meta-analyse.

Resultaten

Er werden 1,236 studies gevonden waarvan 25 studies (effectiviteit (n=12), veiligheid (n=13)) werden geïncludeerd. Hulpvragen voor behandeling met SMT waren koliek, torticollis, astma, autisme, hoofdpijn, bed plassen, idiopathische scoliose en vergroten handgrijpkracht. Behandeltechnieken bestonden bij zuigelingen uit low-velocity, low-amplitude (LVLA) spinale mobilisaties, bij kinderen en adolescenten uit high-velocity, low-amplitude (HVLA) spinale manipulaties.

SMT is niet meer effectief in het verminderen van klachten bij de hulpvragen van zuigelingen, kinderen en adolescenten dan placebo of overige behandeling. Cervicale SMT was effectief in het vergroten van handgrijpkracht van adolescenten op korte termijn. De kwaliteit van studies was laag en de kwaliteit van evidentie was zeer laag. Na SMT werden kortdurende milde bijwerkingen gerapporteerd (hoofdpijn, duizeligheid, nekpijn). Er zijn vier ‘adverse events’ (neurologische uitval, dood) bekend na (cervicale) manipulatie, waarbij altijd een onderliggende oorzaak aanwezig was (spinale tumor, cardiovasculair lijden).

Conclusie

SMT is niet meer effectief dan placebo of overige behandeling bij zuigelingen, kinderen en adolescenten. Deze evidentie is beperkt en van zeer lage kwaliteit. Wanneer uitgevoerd met LVLA mobilisatietechnieken, lijkt SMT een veilige behandeltechniek.

Implicatie voor fysiotherapie

Op basis van de huidige literatuur kan de effectiviteit van SMT bij zuigelingen, kinderen en adolescenten niet worden aangetoond. Hierdoor moet er getwijfeld worden aan de klinische toepassing van SMT bij deze doelgroep.

Lees verder
Femke Driehuis
Stoom afblazen!? Een onderzoek naar de invloed van emotieregulatie op spanningsklachten

Achtergrond:

In de dagelijkse praktijk worden vaak symptomen van spanning gezien die verband lijken te houden met de manier hoe mensen omgaan met emoties.
Een maladaptieve stressrespons in de HHB-as resulteert in een disbalans van het limbische systeem en leidt tot cognitieve stoornissen en verhoogde emotionaliteit.1
Meer dan 75 procent van de categorieën uit de DSM-5 worden gekenmerkt door problemen met emoties en emotieregulatie.2
Emotieregulatieproblemen komen voor bij o.a. gedragsstoornissen, eetstoornissen, depressieve stoornissen, angst- en stemmingsstoornissen en de somatisch-symptoomstoornis.3
De manier van emotieregulatie wordt door de psychosomatisch fysiotherapeut nauwelijks geobjectiveerd en gerelateerd aan spanningsverschijnselen.

Vraagstelling

Wat is de invloed van de wijze van emotieregulatie op de ervaren spanningsklachten bij patiënten die voor psychosomatische fysiotherapie zijn geïncludeerd in de “DBC basis GGz”?

Resultaten:

Zie Tabel 1. Normaalverdeling: Voor de ERQ en ATL is voldaan aan de aanname van normaliteit. Bivariate correlatie analyse (zie Tabel 2) en regressie analyse:
‘ATL totaal’: significante, matig sterke,4 negatieve correlatie met lichamelijke activiteit (r= -0,373, R2= 0.139, F= 7.437, p= 0,009**).
‘ATL vermoeidheid’: matig sterke,4 negatieve correlatie met:
‘ERQ reappraisal’ (r= -0,337, R2 = 0.113 p= 0,019*,)
lichamelijke activiteit (r= -0,318, R2 = 0.101, F= 5.179, p= 0,028*)
leeftijd (r= -0,306, R2 = 0.094, F= 4.765, p= 0,034*). Stapsgewijze multiple regressie analyse ( zie Tabel 3):
‘ATL totaal’:
‘ERQ reappraisal’ blijkt met 11,4% een matig sterke voorspeller voor spanningsklachten.
‘ATL vermoeidheid’
‘ERQ reappraisal’ is met 15,4% een matige sterke voorspeller voor vermoeidheidsklachten.

Methode

Cross-sectioneel onderzoek. Populatie: >18 jaar en verwezen voor psychosomatische fysiotherapie binnen de ‘DBC basis GGz’.

Meetinstrumenten: Emotion Regulation Questionaire (ERQ) en Algemene Toestand Lijst (ATL). Mogelijke confounders: Leeftijd, geslacht, opleiding, mate van arbeidsparticipatie, mate van lichamelijke activiteit en gebruik van psychofarmaca.

Statistische analyse: Controle op normaalverdeling, bivariate correlatie (Pearson), enkelvoudige lineaire regressie (ANOVA), stapsgewijze multipleregressie (ANOVA).

Implicatie voor fysiotherapie

Gebruik de ERQ als leidraad voor gesprekken over de omgang met emoties. Let hierbij op de emotieregulatieflexibiliteit.
Wees bij vermoeidheidsklachten alert op emotieregulatieproblematiek.

Lees verder
Freek Rijvers
Trainen op de lopende band met gewichtloosheid ondersteuning op de intensive care, faciliteert lopen; een pilot sudie.

Background

Up to 65% of the Intensive Care Unit (ICU) patients develop ICU acquired muscle weakness (ICU-AW) due to inactivity and critical illness.1 ICU- AW is strongly associated with short- and long- term physical impairments and impaired functional status.2

Early mobilization is advocated to improve recovery of ICU survivors. 3-9

However, the implementation of these interventions remains difficult within physiotherapy practice due to safety and practical issues. To illustrate, ambulation with ICU patients is difficult, because of the reduced muscle strength, as well as the limited length of infusion lines, drains and mechanical ventilation tubes.

To be able to start earlier with ambulation with critically ill patients we developed a transportable body weight-supported treadmill (BWST) for the use in the ICU.

Purpose

This study aimed to explore the feasibility of Body Weight-Supported Treadmill Training (BWSTT) in ICU patients.

Methods

Twenty patients of the ICU of the Academic Medical Center with muscle strength m. quadriceps MRC ≥ 2, sitting mobility, who had been on mechanical ventilation for more than 48 hours and who fulfilled the safety criteria for exercise according to  the ‘Evidence Statement for ICU Physiotherapy’ were enrolled in the study.10

The BWSTT consisted of walking on a treadmill positioned at the bedside of the patient. A safety harness with a weight bearing utility supported the patients. The BWSST was stopped if the patient was fatigued or safety criteria were violated. The feasibility of the BWSTT was evaluated according to:

  • Number of, and reasons that sessions could not be completed;
  • (Serious) Adverse Events ((S) AE’s);
  • Number of staff needed and treatment duration;
  • Patient satisfaction;
  • Acceleration of the first time to ambulation

Results

BWSTT was performed in twenty patients and 54 sessions. This study showed that BWSTT is feasible with patients in the ICU. There were no (S)AE’s, the patients were very satisfied with the BWST, were not anxious (median/ (IQR ) of NRS 0-10: 0 (0-5)) and the needed number of staff was 2.

All participants should not have been able to walk or should have walked shorter distance without the BWST.

Conclusion

BWSTT is feasible and safe and facilitates early ambulation with critically ill patients in the ICU. Moreover, in order to perform BWSTT less staff is necessary compared to ambulation without BWSTT.

Implications

This study shows that novel technology of a BWST enhances rehabilitation and ambulation training in critically ill patients with severe muscle weakness.

 

Lees verder
Juultje Sommers
Validiteit van 3 accelerometers voor het meten van bewegen in het ziekenhuis

Achtergrond

Er wordt de laatste jaren veel aandacht besteedt aan het meten van bewegen in het dagelijks leven en in ziekenhuizen. Hiervoor zijn verschillende accelerometers op de markt die houdingen en fysieke activiteiten meten. De validiteit van deze meters voor gebruik in het ziekenhuis is echter onbekend.

Vraagstelling

Wat is de validiteit van de Actigraph, de Activ8 en de Dynaport Movemonitor voor het meten van bewegen in het ziekenhuis?

Methode

Proefpersonen is gevraagd om verschillende houdingen en fysieke activiteiten uit te voeren middels een gestructureerd protocol. In dit protocol zijn houdingen en beweging opgenomen die specifiek zijn voor een ziekenhuissetting. Tijdens het uitvoeren van het protocol droegen de proefpersonen de 3 accelerometers en werd de uitvoer van het protocol vastgelegd op video.

De resultaten van de accelerometers zijn per seconde uitgewerkt en vergeleken met de videobeelden om de mate van overeenkomst (uitstekend, goed, redelijk of matig) te bepalen.

Resultaten

De Actigraph scoort goed tot uitstekend voor liggen en lopen, en matig voor staan en zitten. De Activ8 scoort uitstekend voor zitten en lopen, redelijk voor staan en matig voor liggen. De Dynaport scoort uitstekend voor liggen en zitten, goed tot uitstekend voor lopen en matig voor staan.

Conclusie

Voor het onderscheiden van de meest voorkomende houdingen in een ziekenhuis (liggen, zitten, lopen) is de Dynaport Movemonitor het meest valide instrument in vergelijking met de Actigraph en Activ8.

Implicatie voor fysiotherapie

De identificatie van valide accelerometers  is van belang voor het generen van objectieve data over de mate van fysieke (in)activiteit in ziekenhuizen.

Lees verder
Karin Valkenet
Validiteit van negen commercieel verkrijgbare activiteitenmeters in chronisch zieken tijdens een activiteitenprotocol met algemeen dagelijkse levensverrichtingen.

Achtergrond

Het meten van fysieke activiteit met commercieel verkrijgbare activiteitenmeters wordt steeds populairder bij gezonde Nederlanders. Maar ook patiënten met een chronische aandoening zouden profijt kunnen hebben van het meten van hun fysieke activiteit. Activiteitenmeters meten bijvoorbeeld het aantal stappen en actieve minuten gedurende de dag. Als vuistregel wordt gesteld dat iedereen 10.000 stappen per dag zou moeten zetten, dit is voor mensen met een chronische aandoening lager. Voor mensen met een chronische aandoening zijn algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) vaak een primaire vorm van fysieke activiteit. Het is juist bij deze doelgroep belangrijk dat de activiteitenmeters alle vormen van fysieke activiteit meten. Er zijn echter nog geen studies die de validiteit van activiteitenmeters hebben onderzocht tijdens ADL activiteiten bij patiënten met een chronische aandoening.

Vraagstelling

Wat is de validiteit van negen activiteitenmeters tijdens een activiteitenprotocol met ADL activiteiten bij patiënten met een chronische aandoening?

Methode

De geteste activiteitenmeters waren: Accupedo Step Counter, Activ8, Digi-Walker CW-700, Fitbit Flex, Lumoback, Moves, Fitbit One, UP24 and Walking Style X. In totaal hebben 129 patiënten met een chronische aandoening (COPD, hart- en vaataandoeningen, kanker, chronische pijn, artrose en diabetes mellitus) het activiteitenprotocol met ADL activiteiten (zoals stofzuigen en ramen wassen) uitgevoerd. De uitvoering werd gefilmd en het daadwerkelijk aantal stappen geteld.

Resultaten

De correlaties tussen het aantal stappen op de activiteitenmeter en de video observaties waren laag (range: r=0.05-0.32). De Activ8 overschatte het aantal stappen terwijl de ander acht activiteitenmeters het aantal stappen onderschatten. Voor individuele patiënten blijken alle meters een lage validiteit te hebben.

Conclusie

De resultaten van deze studie laten zien dat de validiteit van negen commercieel verkrijgbare activiteitenmeters tijdens een activiteitenprotocol met ADL activiteiten bij mensen met een chronische aandoening laag is.

Implicatie voor fysiotherapie

Bij het inzetten van activiteitenmeters in de fysiotherapeutische behandeling moet rekening gehouden worden met de lage validiteit van de meters tijdens ADL taken. Deze meters zijn potentieel meer geschikt voor patiënten die naast hun ADL taken nog andere vormen van fysieke activiteit hebben zoals wandelen

Lees verder
Darcy Ummels
Werken met een totale knieprothese: bij welke knie-belastende activiteiten verwacht de patiënt veel moeite?

Achtergrond

Drie van de tien patiënten keren niet terug naar werk na een Totale Knie Prothese (TKP) operatie. Om de participatie in werk te optimaliseren is inzicht in de patiëntverwachtingen voor het uitvoeren van knie-belastende activiteiten in werk van belang. Deze zijn tot nu toe onbekend.

Vraagstelling

De onderzoeksvraag is: Hoeveel patiënten verwachten veel moeite te ervaren tijdens het uitvoeren van knie-belastende activiteiten in werk zes maanden na de TKP operatie en in vergelijking tot de ervaren moeite tijdens het uitvoeren van knie-belastende activiteiten preoperatief.

Methode

Een multicenter cross-sectionele studie is uitgevoerd onder werkende patiënten die in afwachting zijn van een TKP-operatie. De verwachte moeite zes maanden na de operatie en de ervaren moeite preoperatief tijdens de uitvoering van 13 knie-belastende activiteiten in werk is gemeten met de Work Osteoarthritis or joint Replacement Questionnaire (WORQ). De antwoordcategorieën zijn ingedeeld in ‘(erg) veel moeite’ en ‘niet veel moeite’. Het percentage patiënten dat veel moeite verwacht 6 maanden na de TKP operatie en het percentage patiënten dat preoperatief veel moeite ervaart bij het uitvoeren van een knie-belastende activiteit is beschreven. Het verschil is statistisch getoetst met de McNemar’s test.

Resultaten

Tweehonderdzesendertig (n=236) werkende TKP patiënten hebben deelgenomen met een mediane leeftijd van 59 jaar [IQR 54-62] en 56% is vrouw. Vierendertig procent van de patiënten verwacht veel moeite 6 maanden na de TKP operatie tijdens hurken, 30% tijdens knielen en 17% tijdens klimmen en/of klauteren. Significant (p<0.01) meer patiënten ervaren preoperatief veel moeite tijdens hurken (84%), knielen (78%) en klimmen en/of klauteren (65%). Tijdens de overige knie-belastende activiteiten verwacht 9%-12% veel moeite 6 maanden na de TKP. Het percentage patiënten dat veel moeite verwacht 6 maanden na de TKP is significant lager dan preoperatief voor alle knie-belastende activiteiten behalve besturen van een voertuig, pedalen bedienen met de voeten en zitten.

Conclusie

Van de 13 knie-belastende activiteiten in werk zijn hurken, knielen en klimmen en/of klauteren de activiteiten waarbij het grootste aantal patiënten preoperatief veel moeite ervaart en waarbij het grootste aantal patiënten veel moeite verwacht 6 maanden na de TKP. Bij deze knie-belastende activiteiten wordt echter ook door het grootste aantal patiënten een afname in moeite verwacht 6 maanden na de TKP ten opzichte van voor de operatie.

Implicatie voor fysiotherapie

Bij de revalidatie door de fysiotherapeut is het van belang om de verwachtingen met de patiënt te bespreken en gezamenlijk een realistisch behandeldoel voor knie-belastende werk activiteiten te formuleren.

Lees verder
Yvonnen van Zaanen
Zelf-gerapporteerde knie instabiliteit is geassocieerd met meer pijn, meer beperkingen in dagelijkse activiteiten en een slechtere kwaliteit van leven vóór en één jaar na een totale knie prothese in patiënten met knie artrose.

Achtergrond

Knie instabiliteit wordt gerapporteerd door 60-80% van de patiënten met knieartrose en is geassocieerd met pijn en beperkingen in dagelijkse activiteiten vóór een totale Kkie prothese (TKP). Er is niet bekend of patiënten waarbij de gerapporteerde instabiliteit ook aanhoudt op lange termijn behoren tot een populatie met slechte uitkomsten.

Vraagstelling

Het bepalen van (i) de prevalentie en het beloop van zelf-gerapporteerde knie instabiliteit vóór en één jaar na een TKP en (ii) associaties tussen preoperatieve, postoperatieve en aanhoudende zelf-gerapporteerde knie instabiliteit met pijn, beperkingen in activiteiten en kwaliteit van leven bij patiënten met knieartrose.

Methode

Patiënten werden geselecteerd uit de Longitudinal Leiden Orthopaedics and Outcomes of OsteoArthritis study (LOAS). Bij patiënten die gepland stonden voor een TKP werd knie instabiliteit gemeten met behulp van een vragenlijst. Daarnaast werden  pijn, beperkingen in activiteiten en kwaliteit van leven subschalen van de Knee injury and Osteoarhtritis Outcome Score (KOOS) vóór en één jaar na de operatie gemeten. Multivariate regressie analyses, gecorrigeerd  voor leeftijd, geslacht, comorbiditeiten en radiologische afwijkingen, werden toegepast om de associaties tussen knie instabiliteit, pijn, beperkingen in activiteiten en kwaliteit van leven te berekenen.

Resultaten

Van de 908 geïncludeerde patiënten, rapporteerden 649 (71%) en 187 (21%) patiënten knie instabiliteit vóór en één jaar na een TKP, respectievelijk. Van de 649 patiënten met preoperatieve knie instabiliteit, rapporteerden 165 patiënten (25%) dit gevoel ook één jaar na de operatie. Knie instabiliteit was vóór de operatie geassocieerd met pijn (B-9.6; 95%CI-12.4–-6.7), beperkingen in activiteiten (B-7.5; 95%CI-10.2–-4.8), en kwaliteit van leven (B-4.7; 95%CI -7.0–-2.4) en postoperatief met pijn (B-15.0; 95%CI-18.5–-11.6), beperkingen in activiteiten (B-15.1; 95%CI -18.4–-11.8), en kwaliteit van leven (B-18.7; 95%CI-22.3–-15.3). In de groep van patiënten waarbij het gevoel van instabiliteit was gebleven één jaar na de operatie was instabiliteit geassocieerd met meer pijn (B-15.1; 95%CI-18.9–-11.2), meer beperkingen in activiteiten (B-14.1; 95%CI -17.8–-10.4), en een slechtere kwaliteit van leven (B-18.0; 95%CI-21.7–-14.3).

Conclusie

In een klinische setting is zelf-gerapporteerde knie instabiliteit prevalent aanwezig vóór de operatie. Eén jaar na de operatie behoudt 25% van de patiënten dit gevoel. De groep van TKR patiënten, waarbij de zelf-gerapporteerde knie instabiliteit aanhoudt (tot één jaar na de operatie) wordt gekenmerkt door  meer pijn, meer beperkingen in activiteiten en een slechtere kwaliteit van leven.

Implicatie voor fysiotherapie

Een potentieel onderliggend mechanisme voor knie instabiliteit is een verminderde spierkracht. Een eerdere studie liet zien dat zelf-gerapporteerde knie instabiliteit verbeterd kon worden door gerichte fysiotherapie [ref Knoop]. Toekomstige studies moeten onderzoeken of fysiotherapie en additionele knie stabiliteitstrainingen de uitkomsten van de operatie verbeteren in de groep van patiënten waarin het gevoel van instabiliteit is blijven bestaan.

Lees verder
Claudia Leichtenberg
Zijn externe focus instructies effectiever dan interne focus instructies voor het verbeteren van de balans na een CVA? Een gerandomiseerde, dubbelblinde, gecontroleerde trial

Achtergrond:

Hoe je een beweging uitlegt kan grote invloed hebben op het succes waarmee de patiënt deze uitvoert. Onderzoek bij gezonde mensen wijst uit dat zij bewegingen beter aanleren als zij focussen op het doel van de beweging (externe focus), in plaats van op hoe ze de beweging moeten uitvoeren (interne focus). Er wordt aangenomen dat externe focus instructies ook leiden tot effectiever motorisch leren bij CVA-patiënten. Het weinige bewijs dat er is suggereert echter dat dit afhangt van de patiënts cognitieve en motorische beperkingen.

Vraagstelling: 

Leiden externe focus instructies tot grotere verbetering in balansvaardigheid dan interne focus instructies bij revaliderende CVA patiënten? Welke rol spelen de motorische en cognitieve vaardigheid van de patiënt?

Methode:

Voor deze dubbelblinde RCT werden drieënzestig klinische CVA patiënten geïncludeerd in Heliomare in Wijk aan Zee. Patiënten werden willekeurig ingedeeld in een interne (N=31) of externe (N=32) focus groep. Beide groepen volgden een balanstrainingsprogramma van drie weken, waarin ze drie keer per week, in sessies van 30 minuten oefenden om een balansbord te stabiliseren. De moeilijkheidsgraad kon worden aangepast door de draaistijfheid van het bord aan te passen. De hoofduitkomstmaat was de draaistijfheid (Nm/radiaal) waarop patiënten nog net hun balans konden houden. Secundaire uitkomstmaten waren de hoeveelheid sway in enkele- en dubbeltaakcondities (in graden), de TuG en de USER. Een geblindeerde onderzoeker nam de tests af op baseline (T0), na de eerste oefenweek (T1) en na afloop van het trainingsprogramma (T2). Met regressieanalyse werd de vooruitgang tussen de groepen vergeleken, alsmede de invloed van de patiënts motoriek (BBS), aandacht (D2-test), en sensoriek (NSA).

Resultaten:

Na drie weken hadden beide groepen evenveel vooruitgang geboekt in draaistijfheid, hoeveelheid sway in enkele- en dubbeltaakcondities, TuG en USER (p’s>0.10). Echter, de effectiviteit van de instructies bleek te worden beïnvloed door balansvaardigheid (BBS), sensoriek (NSA), en aandacht (D2): Patiënten met relatief goede balansvaardigheid en sensoriek en met slechte aandachtscores hadden meer baat bij externe focus instructies dan bij interne focus instructies. Andersom waren interne focus instructies juist het meest effectief voor patiënten met slechte balansvaardigheid/sensoriek, en goede aandachtcapaciteit.

Conclusie:

Externe focus instructies leiden niet per definitie tot effectiever motorisch leren na een CVA dan interne focus instructies. De effectiviteit is afhankelijk van het motorisch, sensorisch en cognitief functioneren van de patiënt.

Implicatie voor fysiotherapie:

Therapeuten worden geadviseerd om bij het geven van instructies rekening te houden met de motorische, cognitieve, en sensorische beperkingen van de patiënt.

Lees verder
Elmar Kal